ECLI:NL:GHAMS:2018:2722

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 juli 2018
Publicatiedatum
3 augustus 2018
Zaaknummer
200.221.170/01 NOT
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 lid 4 Wet op het notarisambtArt. 62b Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid klachten tegen notarissen en ongegrondverklaring klacht oud-notaris

Klager heeft tegen vier notarissen diverse klachten ingediend, waarvan de kamer voor het notariaat in eerste aanleg een deel niet-ontvankelijk verklaarde en de klacht tegen oud-notaris A ongegrond verklaarde. In hoger beroep heeft klager nieuwe klachten geformuleerd, maar het hof verklaart deze niet-ontvankelijk omdat nieuwe klachten in hoger beroep niet behandeld worden volgens artikel 107 lid 4 Wet Pro op het notarisambt.

Het hof neemt het oordeel van de kamer volledig over en ziet geen aanleiding om het dossier door te sturen naar andere instanties. Klager heeft onder meer aangevoerd dat oud-notaris A niet bevoegd was om een handtekening te legaliseren, wat zou leiden tot een nietige akte, en dat er sprake zou zijn van misleiding en valsheid in geschrifte. Deze stellingen worden niet gevolgd.

De zaak is behandeld zonder aanwezigheid van klager, terwijl de notarissen wel zijn verschenen. Het hof bevestigt de bestreden beslissing en verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn nieuwe klachten. Het verzoek tot wraking is eveneens afgewezen. De beslissing is op 31 juli 2018 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn nieuwe klachten en de bestreden beslissing is bevestigd.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.221.170/01 NOT
nummer eerste aanleg : SHE/2016/54, 55, 56, 57
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 31 juli 2018
inzake
[naam] ,
wonend te [plaats] ,
appellant,
tegen
1. [naam] ,
oud-notaris te [plaats] ,
2. [naam] ,
notaris te [plaats] ,
3. [naam] ,
(inmiddels) toegevoegd notaris te [plaats] ,
4. [naam] ,
notaris te [plaats] ,
geïntimeerden.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellant (hierna: klager) heeft op 10 augustus 2017 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort 's‑Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 17 juli 2017 (ECLI:NL:TNORSHE:2017:17).
De kamer heeft in de bestreden beslissing:
  • ten aanzien van [(oud-)notaris A] : de klacht niet‑ontvankelijk verklaard voor zover deze betrekking heeft op zijn handelwijze op 2 november 2011 en de klacht verder ongegrond verklaard;
  • ten aanzien van [notaris B] : de klacht niet‑ontvankelijk verklaard;
  • ten aanzien van [(toegevoegd) notaris C] : de klacht niet‑ontvankelijk verklaard;
  • ten aanzien van [notaris D] : de klacht niet‑ontvankelijk verklaard;
  • ten aanzien van de klachten die klager in de loop van de procedure heeft ingediend/uitgebreid, klager in deze niet‑ontvankelijk verklaard.
1.2.
Klager heeft op 13 september 2017 een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - ingediend.
1.3.
Geïntimeerden (hierna ook gezamenlijk: de notarissen) hebben op 9 oktober 2017 een verweerschrift bij het hof ingediend.
1.4.
Op 3 november 2017 en 20 december 2017 heeft klager nog aanvullende producties bij het hof ingediend.
1.5.
Bij e‑mailbericht van 24 januari 2018 heeft klager een verzoek tot wraking ingediend tegen de voltallige notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de notariskamer).
1.6.
De op 25 januari 2018 geplande mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden.
1.7.
Bij brief van 1 februari 2018 aan de notariskamer heeft klager aanvullende wrakingsgronden geformuleerd en te kennen gegeven dat het wrakingsverzoek zich richt tegen mrs. A.C. Faber, J.H. Lieber en T.K. Lekkerkerker.
1.8.
Bij beslissing tot verwijzing van 2 februari 2018 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam in het kader van de ‘pilot externe wrakingskamer’ het wrakingsverzoek op grond van artikel 62b Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag.
1.9.
Bij beslissing van 21 maart 2018 heeft de laatstgenoemde wrakingskamer (voor zover hier van belang):
  • klager niet‑ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wraking op grond van de wrakingsgronden iii) tot en met vi);
  • het verzoek tot wraking op grond van de wrakingsgrond i) ten aanzien van de in 1.7 vermelde raadsheren afgewezen;
  • het verzoek tot wraking op grond van de wrakingsgrond ii) ten aanzien van mr. Lekkerkerker afgewezen;
  • bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van klager in de onderhavige zaak niet in behandeling zal worden genomen.
1.10.
De zaak is vervolgens behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 17 mei 2018. Klager is, met voorafgaand bericht, niet ter terechtzitting verschenen. [(oud-)notaris A] en [notaris D] zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. [(oud-)notaris A] heeft mede namens [notaris D] , [(toegevoegd) notaris C] en [notaris B] gepleit aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2.Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3.Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld.

4.Standpunt van klager

De klacht luidt - in de kern - als volgt:
[(oud-)notaris A] was op 2 november 2011 niet bevoegd om de handtekening van klager onder de verklaring van zuivere aanvaarding te legaliseren, als gevolg waarvan het een “nietige akte” is, terwijl [(oud-)notaris A] zich daarbij ten onrechte heeft voorgedaan als notaris;
[notaris B] , [(toegevoegd) notaris C] en [notaris D] hebben aan deze misleiding meegewerkt en/of zijn daarvoor verantwoordelijk;
[(oud-)notaris A] en [notaris B] hebben fouten gemaakt bij de afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van klager, met name omdat in de Nederlandse verklaringen van erfrecht staat vermeld dat zij ten tijde van hun overlijden woonplaats hadden in Nederland, terwijl in de Spaanse verklaringen van erfrecht is vermeld dat zij woonplaats hadden in Spanje. Alle akten die zijn gepasseerd, bevatten pertinente onwaarheden en daarbij is sprake van valsheid in geschrifte, misleiding en bedrog, aldus klager.

5.Standpunt van de notarissen

De notarissen hebben verweer gevoerd. Het standpunt van de notarissen wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6.Beoordeling

6.1.
Het hof gaat voorbij aan de stelling van klager in hoger beroep dat de kamer de klacht ten aanzien van [notaris B] verkeerd heeft uitgelegd, nu klager die stelling onvoldoende heeft geconcretiseerd in het licht van rechtsoverwegingen 4.14 tot en met 4.16 van de bestreden beslissing.
6.2.
Het hof constateert dat klager een aanzienlijk aantal klachten heeft geformuleerd. Indien en voor zover klager in zijn (aanvullend) beroepschrift nieuwe klachten heeft geformuleerd, heeft te gelden dat klager in die nieuwe klachten niet kan worden ontvangen. Op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 van Pro de Wet op het notarisambt behandelt het hof de zaak in hoger beroep opnieuw in volle omvang. In die procedure is voor de behandeling van in hoger beroep nieuw geformuleerde klachten geen plaats. Dit betekent dat alleen de klachten die ook in de procedure in eerste aanleg aan de orde zijn geweest, in beschouwing worden genomen. De nieuwe feiten die klager in hoger beroep naar voren heeft gebracht, houden naar het oordeel van het hof geen verband met deze klachten
.
6.3.
Het hof verenigt zich op alle onderdelen met het oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een ander oordeel rechtvaardigen. Het hof zal de bestreden beslissing derhalve bevestigen.
6.4.
Daargelaten of het hof daartoe gehouden of bevoegd zou zijn geweest, ziet het hof in de stukken in het dossier geen aanleiding om het dossier door te sturen naar anderen, zoals door klager in hoger beroep is verzocht.
6.5.
Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.
6.6.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.
7. Beslissing
Het hof:
- verklaart klager in zijn nieuwe klachten niet‑ontvankelijk, indien en voor zover klager in hoger beroep nieuwe klachten heeft geformuleerd;
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, J.W.M. Tromp en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018 door de rolraadsheer.