De werknemer trad in 2001 in dienst bij ISS als schoonmaker en werkte naast zijn werkzaamheden daar ook bij een andere werkgever, Pantar. In 2016 werd de werknemer door ISS overgeplaatst naar andere locaties, wat hij vanwege reistijd en andere werkzaamheden niet haalbaar vond. Hij bleef op zijn oorspronkelijke locatie werken ondanks verzoeken van ISS om te verhuizen.
ISS gaf de werknemer op 3 januari 2017 ontslag op staande voet wegens ongeoorloofd werkverzuim en weigering om redelijke opdrachten te volgen. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet rechtsgeldig was en kende een billijke vergoeding toe. ISS ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Het hof stelde vast dat ISS onvoldoende had onderbouwd dat de overplaatsingen redelijke opdrachten waren en onvoldoende rekening had gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de werknemer. De werknemer had een legitiem belang om niet zonder meer op de verzoeken in te gaan. ISS had zich star opgesteld en onvoldoende overleg gevoerd.
Daarom was het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd. Het hof verhoogde de billijke vergoeding aan de werknemer van €3.500 naar €10.000 bruto en veroordeelde ISS in de proceskosten. De overige verzoeken van ISS werden afgewezen.
Het arrest benadrukt het belang van zorgvuldige communicatie en redelijke belangenafweging bij overplaatsingen en ontslag op staande voet.