ECLI:NL:GHAMS:2018:3132
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland die de minderjarige onder toezicht stelde van een gecertificeerde instelling voor de duur van twaalf maanden. De ondertoezichtstelling was aangevraagd door de Raad voor de Kinderbescherming vanwege een bedreigde ontwikkeling van de minderjarige, veroorzaakt door spanningen tussen de ouders en het opstandig gedrag van het kind na omgangsweekenden bij de vader.
De moeder betwistte de procedure en de inhoudelijke gronden voor ondertoezichtstelling en stelde dat de ontwikkelingsbedreiging niet ernstig genoeg was en dat zij de noodzakelijke hulp accepteerde. De raad en de gecertificeerde instelling stelden dat de situatie van het kind belastend was en dat een onafhankelijke derde nodig was om de omgang en hulpverlening te begeleiden.
Het hof oordeelde dat hoewel de minderjarige last heeft van spanningen en loyaliteitsconflicten, deze gedragingen niet ernstiger zijn dan bij vergelijkbare situaties en onvoldoende concreet bewijs is geleverd van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De bedreigingen hangen vooral samen met het onvermogen van de ouders om tot een goede omgangsregeling te komen. Het hof achtte de ondertoezichtstelling daarom niet gerechtvaardigd en vernietigde de beschikking, waarbij het verzoek van de raad werd afgewezen.
Het hof benadrukte het belang van voortzetting van hulpverlening aan het gezin en het kind, maar wees erop dat er minder ingrijpende middelen zijn dan ondertoezichtstelling om medewerking van de vader te verkrijgen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018 door het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af wegens onvoldoende ernstige ontwikkelingsbedreiging.