Klaagster diende een klacht in tegen twee notarissen wegens het mede opstellen van een testament voor haar verstandelijk beperkte broer, die volgens haar niet wilsbekwaam was. Het hof verwees naar een eerdere tussenbeslissing en gaf de notarissen gelegenheid tot nadere schriftelijke uitlatingen, waarop klaagster mocht reageren.
De mondelinge behandeling vond plaats op 17 mei 2018, waarna de oud-notaris op 2 juni 2018 overleed. Hierdoor werd de klacht tegen hem niet-ontvankelijk verklaard en werd de eerdere beslissing over hem vernietigd. De klacht tegen de notaris bleef onderwerp van beoordeling.
Het hof oordeelde dat, ondanks de verstandelijke beperking van de broer, de notaris destijds voldoende zorgvuldigheid betrachtte bij de beoordeling van diens wilsbekwaamheid. Diverse deskundigenrapporten toonden aan dat de verstandelijke beperking niet automatisch wilsonbekwaamheid impliceerde. Klaagster stelde onvoldoende feiten om onzorgvuldigheid aan te tonen.
De klacht tegen de notaris werd daarom ongegrond verklaard en de bestreden beslissing bevestigd. De klacht tegen de oud-notaris werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege zijn overlijden tijdens de procedure.