Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil
2.2.3.1. Afzetbare (vracht)container
6.Kosten
€ 1.002
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd omdat zijn bestelauto met dubbele cabine niet voldeed aan de wettelijke inrichtingseisen, met name was de kap 20 cm te laag. De rechtbank had de naheffingsaanslag verminderd, maar het Hof bevestigt de inhoudelijke beoordeling dat de auto niet als bestelauto kan worden aangemerkt.
Belanghebbende voerde aan dat het herstelbeleid onterecht niet werd toegepast en dat het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel waren geschonden. Het Hof oordeelde dat het herstelbeleid strikt wordt toegepast en dat de kap niet voldoet aan de minimale hoogte van 130 cm. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezegging is gedaan dat geen naheffing BPM zou volgen.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de vergelijkbare gevallen zich onder ander beleid en omstandigheden voordeden. De stelling van willekeur wordt verworpen omdat containers die aan strikte voorwaarden voldoen als lading worden beschouwd en niet als onderdeel van het voertuig.
Het Hof wijst op de mogelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule en een teruggaafregeling bij export. Wel wordt het hoger beroep gegrond verklaard voor zover de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase alsnog wordt toegekend. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor dat onderdeel en het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Naheffingsaanslag BPM bevestigd, proceskostenvergoeding bezwaarfase toegekend.