Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning te Medemblik waarvan de WOZ-waarde voor 2015 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €266.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd deze waarde gehandhaafd. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de waarde te hoog was, onderbouwd met een verkoopprijs uit 2017 en taxatierapporten.
De rechtbank had de waarde van €266.000 gebaseerd op vergelijkingsobjecten en een waarderingsmatrix, waarbij sommige objecten werden uitgesloten wegens onvoldoende vergelijkbaarheid. De rechtbank verwierp het taxatierapport van belanghebbende wegens onbetrouwbaarheid en concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
Het Hof overwoog dat de verkoopprijs van de woning in 2017, teruggecalculeerd naar de waardepeildatum 1 januari 2014, niet zonder meer kan worden aangenomen als juiste WOZ-waarde. De door belanghebbende voorgestelde waarden waren onvoldoende onderbouwd. De heffingsambtenaar slaagde er niet in de waarde van €266.000 aannemelijk te maken, mede omdat de woning in een stijgende markt voor een lager bedrag was verkocht.
Het Hof stelde de WOZ-waarde daarom in goede justitie vast op €235.000, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.