Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,
Gerechtshof Amsterdam
Appellant was van 2003 tot 2011 als oogarts werkzaam binnen een maatschap op basis van een maatschapsovereenkomst met geïntimeerden. Na beëindiging van de toelatingsovereenkomst en de maatschapsovereenkomst ontstond een geschil over de voortzetting van het praktijkdeel van appellant zonder betaling van een goodwillvergoeding.
De maatschapsovereenkomst bevatte een arbitragebeding dat alle geschillen over uitleg en uitvoering van de overeenkomst aan arbitrage onderwerpt. Appellant vorderde een verklaring voor recht dat geïntimeerden onrechtmatig hadden gehandeld en schadevergoeding moesten betalen. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd wegens het arbitrale beding, maar oordeelde anders ten aanzien van de maatschap.
Het hof oordeelde dat het geschil tussen appellant en geïntimeerden onder het arbitrale beding valt, ook al kwalificeert appellant zijn vordering als onrechtmatige daad. Het hof verwierp het onderscheid tussen geïntimeerden en de maatschap, aangezien de maatschap geen rechtspersoon is en de maten als procespartij gelden.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis gedeeltelijk, verklaarde de rechtbank ook onbevoegd ten aanzien van de maatschap en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep. De rolverwijzing in de hoofdzaak bleef beperkt tot het geschil tussen appellant en Flevoziekenhuis.
Uitkomst: De rechtbank wordt ook onbevoegd verklaard voor het geschil tussen appellant en de maatschap, met gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis.