Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in een zaak van mishandeling gepleegd op 5 juli 2016 te Amsterdam. De verdachte werd ervan beschuldigd het slachtoffer met kracht tegen het rechterbeen te hebben getrapt en meerdere malen in het gezicht te hebben geslagen, waardoor het slachtoffer letsel en pijn heeft ondervonden.
Het hof achtte het bewezen dat de verdachte het slachtoffer ten minste één keer tegen het been heeft getrapt en twee keer in het gezicht heeft geslagen. Het overige ten laste gelegde werd niet bewezen verklaard. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde of van de verdachte uitsloten.
De politierechter had een taakstraf van 90 uur opgelegd, subsidiair 45 dagen hechtenis. Het hof volgde de advocaat-generaal in de strafvordering, maar legde een deels voorwaardelijke taakstraf op van 90 uur met 30 uur voorwaardelijk en 45 dagen hechtenis als vervangende sanctie. Het hof nam de recidive van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee in de strafoplegging, maar wees een geheel voorwaardelijke straf af.
Het vonnis waarvan beroep werd vernietigd en het arrest van het hof vormt de nieuwe uitspraak. De verdachte wordt veroordeeld tot de genoemde taakstraf en hechtenis, met een proeftijd van twee jaar waarin de voorwaardelijke straf kan worden uitgevoerd bij nieuw strafbaar gedrag.