ECLI:NL:GHAMS:2018:4568
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen wegens dwaling, bedrog en onrechtmatige daad bij aandelenparticipatie in vastgoedproject
Appellanten, dochters van [X], participeerden via aandelen in CYHH B.V., een vennootschap die kantoorpanden transformeerde tot studentenwoningen. Zij stelden dat zij door onjuiste of verzwegen informatie van CYHH c.s. en haar bestuurders zijn benadeeld en vorderden vernietiging van de overeenkomsten en schadevergoeding.
Het hof bevestigde dat de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank onbetwist zijn. Appellanten konden niet aantonen dat er op of voor het sluiten van de intentieovereenkomst op 19 november 2014 sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken of kunstgreep die tot vernietiging zou kunnen leiden. Ook hun stellingen over het financiële verleden van bestuurders en de financiering werden onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.
Ten aanzien van de onrechtmatige daad oordeelde het hof dat bestuurdersaansprakelijkheid niet aannemelijk was omdat de gestelde gedragingen binnen de taakvervulling van de vennootschap vielen en er geen causaal verband met schade was vastgesteld. Het hof vernietigde het vonnis voor zover appellanten onder 3 en 4 niet-ontvankelijk waren verklaard, maar wees hun vorderingen alsnog af en bekrachtigde het vonnis voor het overige.
Uitkomst: Vorderingen appellanten wegens dwaling, bedrog en onrechtmatige daad worden afgewezen.