Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd wegens het niet betalen van parkeerbelasting terwijl de auto geparkeerd stond. In bezwaar en eerste aanleg werd de naheffingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat hij niet voldoende in de gelegenheid was gesteld om gehoord te worden, ondanks zijn expliciete verzoek daartoe.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar mocht afzien van het horen omdat belanghebbende niet binnen de gestelde termijn had gereageerd op uitnodigingen voor een telefonisch gehoor. Ook werd geoordeeld dat de auto daadwerkelijk geparkeerd stond en niet slechts kort stopte voor in- en uitstappen.
Het hof stelt echter dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de heffingsambtenaar mocht afzien van het horen op grond van artikel 7:3, letter d, Awb, omdat belanghebbende in zijn bezwaarschrift expliciet had aangegeven gehoord te willen worden. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en wijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar om belanghebbende alsnog te horen.
Daarnaast veroordeelt het hof de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht. De inhoudelijke beoordeling van de parkeerbelasting wordt niet behandeld vanwege de terugwijzing.