Op 16 juni 2016 stak de verdachte zijn huisgenoot, tevens oom, met een keukenmes in de linkeronderarm tijdens een woordenwisseling die uitmondde in een fysieke confrontatie. Het slachtoffer liep een 4 centimeter lange steekwond op die gehecht moest worden met vijf hechtingen. De verdachte werd primair ten laste gelegd van poging tot zware mishandeling, subsidiair van poging tot zware mishandeling met een keukenmes.
In hoger beroep sprak het hof de verdachte vrij van de primaire tenlastelegging wegens onvoldoende bewijs, maar achtte het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen. Het hof oordeelde dat het steken met een keukenmes in de onderarm een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert en dat de verdachte dit opzet in voorwaardelijke zin had.
Het beroep op noodweer werd verworpen omdat het geweld disproportioneel was ten opzichte van de aanranding. Ook het beroep op noodweerexces faalde wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor een hevige gemoedsbeweging. Het hof legde een gevangenisstraf van 4 maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en het advies van de reclassering. Tevens werd gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf bevolen.