AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vonnis met verlaagde voorwaardelijke taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor belediging van politieambtenaren, verzet tegen aanhouding met geweld, bezit van cocaïne en mishandeling. Het hof bevestigt de bewezenverklaring van deze feiten.
Het hof constateert dat de redelijke termijn, zoals vereist door artikel 6 EVRMPro, in zowel eerste aanleg als hoger beroep is overschreden met ruim zeven maanden. Deze overschrijding wordt meegenomen in de strafmaat. Hoewel de politierechter een onvoorwaardelijke taakstraf van 20 uur oplegde, bepaalt het hof dat gezien de termijnoverschrijding een geheel voorwaardelijke taakstraf passend is.
De verdachte krijgt een taakstraf van 20 uren met een proeftijd van 2 jaar opgelegd. De straf is subsidiair 10 dagen hechtenis. Het hof benadrukt de ernst van het gedrag van de verdachte, dat het gezag van politieambtenaren aantast en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer schaadt. De verdachte was niet eerder onherroepelijk veroordeeld.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 23 november 2018 en bevestigt het vonnis behalve ten aanzien van de straf, die wordt vernietigd en opnieuw vastgesteld.
Uitkomst: Voorwaardelijke taakstraf van 20 uren met een proeftijd van 2 jaren opgelegd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001277-16
datum uitspraak: 23 november 2018
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer
13-087256-13 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1990,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2018 en 9 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis met een proeftijd door de duur van 2 jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft
daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van politieambtenaren tijdens de uitoefening van hun bediening, waarmee hij het gezag en de integriteit van deze ambtenaren heeft aangetast.
Daarnaast heeft de verdachte zich verzet tegen zijn aanhouding en heeft daarbij geweld gebruikt. Dergelijk gedrag is ernstig, omdat hiermee het werk van de politie wordt gehinderd. Ook getuigt het van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.
De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van de gebruiker zeer schadelijke stof. Het gebruik is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de met de handel erin gepaarde gaande criminaliteit.
Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, waardoor het slachtoffer letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het hof rekent de verdachte voornoemde feiten aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 oktober 2018 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld.
Bij de berechting van de zaak in hoger beroep is de redelijke termijn, die ingevolgde artikel 6, eerste lid, van het EVRM in acht moet worden genomen, overschreden. De verdachte heeft op 5 april 2016 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 23 november 2018 arrest. Het hof stelt op grond hiervan vast dat in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim zeven maanden. Dit klemt temeer omdat ook in eerste aanleg door de politierechter een overschrijding van de redelijke termijn is geconstateerd.
Dit leidt ertoe dat het hof de overschrijding van de redelijke termijn zal verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof in een beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis passend en geboden acht, maar deze, gelet op het tijdsverloop, geheel voorwaardelijk zal opleggen.
Het hof acht aldus, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63, 57, 180, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. F.A. Hartsuiker en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van
mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 november 2018.
mr. G. Oldekamp en mr. F.A. Hartsuiker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.