Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2018:5115

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2018
Publicatiedatum
13 maart 2019
Zaaknummer
23-004-275-17
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 63 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met traangas verworpen beroep op noodweer

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van mishandeling door het spuiten van traangas in het gezicht van het slachtoffer. In hoger beroep stelde de verdediging een beroep op noodweer, stellende dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een dreigende aanval van het slachtoffer. Het hof oordeelde echter dat de bewijsmiddelen deze situatie niet ondersteunen en verwierp het noodweerverweer.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer mishandelde door traangas in diens gezicht te spuiten op 5 augustus 2017 te Amsterdam. De strafbaarheid van het feit en de verdachte werd bevestigd. De rechtbank had een voorwaardelijke taakstraf opgelegd, maar het hof bepaalde een geldboete van €500, subsidiair 10 dagen hechtenis passend en geboden.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd, en de persoon van de verdachte, waaronder zijn deelname aan de aanpak Top 400 en positieve ontwikkelingen sinds het delict. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het beroep op noodweer werd verworpen en de verdachte werd veroordeeld tot de opgelegde straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €500, subsidiair 10 dagen hechtenis wegens mishandeling met traangas, beroep op noodweer verworpen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004275-17
datum uitspraak: 10 december 2018
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-149390-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
26 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 5 augustus 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] traangas in het gezicht te spuiten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bespreking van een verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt en dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat de verdachte een confrontatie met aangever niet kon vermijden, waardoor op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte, waartegen hij zich moest verdedigen. Er is voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Het hof dient allereerst vast te stellen of het de feiten en omstandigheden die aan het beroep op noodweer ten grondslag zijn gelegd aannemelijk acht.
De door de verdediging geschetste situatie, namelijk dat de aangever [slachtoffer] op het punt stond de verdachte te slaan en de verdachte de confrontatie niet kon vermijden, wordt niet door de bewijsmiddelen in het dossier ondersteund.
In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] wordt gerelateerd dat de beveiligers [beveiliger 1] en [beveiliger 2] geschreeuw hoorden en zagen dat – naar later bleek – de verdachte en [slachtoffer] ruzie met elkaar hadden. De beveiligers [beveiliger 1] en [beveiliger 2] zijn daarop tussen de verdachte en [slachtoffer] gaan staan en op dat moment heeft de verdachte zijn arm gestrekt en met het traangas gespoten.
Het hof acht derhalve niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke (dreigende) wederrechtelijke aanranding, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 5 augustus 2017 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] traangas in het gezicht te spuiten.
Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. Daarbij zijn als bijzondere voorwaarden een meldplicht en gedragsinterventie gesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.
De raadsvrouw heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht de verdachte een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd voor de duur van 2 jaren op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer met traangas in zijn gezicht te spuiten. Het slachtoffer heeft daardoor een brandende pijn in het gezicht ondervonden. Door aldus te handelen en op deze wijze geweld te gebruiken op een festivalterrein, heeft de verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden, maar ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt.
Het hof heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van 22 november 2018 van Reclassering Nederland. In voornoemd advies komt het volgende naar voren. De verdachte behoort tot de Top 400 en neemt ruim anderhalf jaar deel aan de aanpak Top 400. Omdat het langere tijd goed met de verdachte gaat, is de begeleiding vanuit de Top 400 wat betreft aanpak laag en meer monitorend van aard. Het doorlopen en afronden van het reclasseringstoezicht medio dit jaar, de vooruitgang van de verdachte sinds het ten laste gelegde en dat er sindsdien geen justitiecontacten meer hebben plaatsgevonden, zijn positieve ontwikkelingen. De toename van de intrinsieke motivatie van de verdachte om een delictvrij bestaan op te bouwen ziet de reclassering als een beschermende factor.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 november 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.
Het hof acht een geldboete ter hoogte van € 500, subsidiair 10 dagen hechtenis, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. H.A. van Eijk en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van
mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 december 2018.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]