ECLI:NL:GHAMS:2018:5239
Gerechtshof Amsterdam
- Verwijzing na Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep na verwijzing inzake faillietverklaring appellant door Rabobank
In deze zaak staat het hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad centraal, waarin het gerechtshof Amsterdam beoordeelt of appellant terecht in staat van faillissement is verklaard op verzoek van Rabobank. De Hoge Raad had het eerdere arrest van het gerechtshof Den Haag vernietigd en verwezen ter verdere behandeling.
Het hof gaat uit van de feiten zoals vastgesteld door de Hoge Raad en beoordeelt of appellant daadwerkelijk is opgehouden met betalen en of er sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Appellant heeft gesteld dat alle schuldeisers behalve Rabobank zijn voldaan, wat door Rabobank niet is weersproken. De curator bevestigt dat alleen Rabobank nog een onbetaalde vordering heeft.
Rabobank stelde dat ook een vordering van de curator bestond, maar het hof oordeelt dat deze vordering een boedelvordering is die niet meetelt voor het pluraliteitsvereiste. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste dat meerdere schuldeisers onbetaald moeten zijn.
Het hof vernietigt het faillissementsvonnis van de rechtbank Rotterdam en wijst het verzoek tot faillietverklaring af. De kosten van het faillissement, inclusief het curatorensalaris, worden aan appellant toegerekend. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen acht dagen worden aangevochten door cassatie.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van appellant wordt afgewezen wegens ontbreken van pluraliteitsvereiste.