Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
gemachtigde: mr. R. van den Berg MRE (PwC Belastingadviseurs N.V.) te Amsterdam
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Toepasselijke bepalingen
5.Beoordeling van het geschil
Onder bouwkosten of sloopkosten worden verstaan de aanneemsom voor het uit te voeren werk, inclusief BTW. Indien deze opgave ontbreekt of niet correct lijkt, wordt een raming van deze kosten inclusief BTW gemaakt door of namens het college van burgemeester en wethouders.” Ook deze stelling kan niet worden aanvaard, nu uit het vorenoverwogene volgt dat de heffingsmaatstaf “bouwkosten of sloopkosten inclusief BTW, als omschreven in NEN 2631” in zijn geheel onverbindend is, aangezien de heffingsmaatstaf zodanig is geformuleerd dat het begrip ‘bouwkosten of sloopkosten’ enkel kan worden bepaald aan de hand van de definitie daarvan in NEN 2631 (“als omschreven in NEN 2631”), zodat daaruit niet slechts het element “als omschreven in NEN 2631” kan worden geëlimineerd. De hiervoor aangehaalde tekst van de tarieventabel bevat, gelet op haar bewoordingen, vervolgens een nadere afbakening van het eerst ingevolge de NEN 2631 vast te stellen begrip ‘bouwkosten of sloopkosten’. Ook deze nadere invulling van de heffingsmaatstaf is derhalve onverbindend en zij kan niet, zoals de heffingsambtenaar heeft bepleit, als alternatieve heffingsmaatstaf worden gehanteerd.
6.Kosten
7.Beslissing
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1.503; en
- bepaalt dat van de heffingsambtenaar een griffierecht wordt geheven van € 503.