Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, die tot januari 2015 een affectieve relatie hadden, zijn in geschil over de hoogte, ingangsdatum en berekening van kinderalimentatie voor hun twee minderjarige kinderen. De vrouw vordert een hogere bijdrage met terugwerkende kracht vanaf april 2015, terwijl de man betwist dat hij met terugwerkende kracht moet betalen en wijst op zijn bijdragen in natura en maandelijkse lasten.
Het hof overweegt dat de ingangsdatum van de alimentatieverplichting terecht is vastgesteld op 1 februari 2016, aansluitend bij de datum van indiening van het verzoek. De woonlasten van de man worden forfaitair berekend, ondanks dat zijn werkelijke woonlasten lager zijn, omdat het forfaitaire systeem voorspelbaarheid en stabiliteit biedt en geen onaanvaardbaar resultaat oplevert.
De vrouw betwist ook het percentage zorgkorting van 25%, stellende dat de man geen zorgkosten maakt. Het hof volgt echter de richtlijn dat de zorgkorting afhankelijk is van de zorgregeling en acht 25% passend gezien de ruime zorgregeling. De bestreden beschikking wordt daarom bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
Uitkomst: Bestreden beschikking wordt bekrachtigd; kinderalimentatie vastgesteld per 1 februari 2016 met forfaitaire woonlasten en 25% zorgkorting.