Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [plaats] , en
- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [plaats] .
Indien en voor zover het hof van oordeel is dat de kinderalimentatie op een lager bedrag dient te worden vastgesteld, verzocht de vrouw het hof te bepalen dat haar geen terugbetalingsverplichting wordt opgelegd, omdat de vrouw de betaalde kinderalimentatie heeft geconsumeerd om in het levensonderhoud van de kinderen te voorzien.
Het hof ziet evenmin aanleiding om uit te gaan van de werkelijke woonlast van de man, zoals door de vrouw verzocht, omdat slechts in uitzonderlijke situaties dient te worden afgeweken van de forfaitaire berekening van kinderalimentatie. Van een dergelijk uitzonderlijke situatie is niet gebleken. Dat de man ervoor heeft gekozen om de meerwaarde van de verkochte woning te investeren in zijn huidige woning, waardoor hij een lagere woonlast heeft, is een keuze van de man om zijn eigen vermogenspositie in te richten op een door hem gewenste wijze en leidt er niet toe dat sprake is van een situatie waarin van het forfaitaire stelsel moet worden afgeweken. De tweede grief faalt (onderstreping A-G).’
2.Bespreking van het cassatiemiddel
randnr. 2.12klaagt de vrouw dat het oordeel van het hof in rov. 5.11 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt nu het hof een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door tot uitgangspunt te nemen dat slechts in uitzonderlijke situaties van de forfaitaire berekening van kinderalimentatie dient te worden afgeweken. Het hof heeft met dit oordeel miskend dat de in het Rapport Alimentatienormen genoemde forfaitaire rekenmethode slechts een aanbeveling voor een praktische invulling van de wettelijke maatstaf “draagkracht” is en niet een dwingendrechtelijke regel.
randnr. 2.14klaagt de vrouw dat, voor zover de beschikking aldus begrepen moet worden dat het hof wél de belangen van de kinderen in ogenschouw heeft genomen maar desondanks van oordeel was dat toepassing van de forfaitaire rekenmethode geen onaanvaardbare uitkomst opleverde in het licht van de zwaarwegende belangen van de kinderen, dat oordeel onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd.
randnr. 2.15klaagt de vrouw dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat het hof afziet van het vaststellen van een behoefte dekkende kinderalimentatie terwijl daarvoor aan de zijde van de man wel degelijk voldoende ruimte bestaat. De motivering die het hof daarvoor geeft, namelijk dat het de keuze van de man is om zijn eigen vermogenspositie in te richten op een door hem gewenste wijze, is onbegrijpelijk in het licht van art. 1:404 lid 1 BW Pro en miskent de verantwoordelijkheid die (ook) ambtshalve op het hof rust om de belangen van de kinderen te bewaken en er voor te waken dat de kinderalimentatie tenminste aan de wettelijke maatstaven voldoet.