Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] en
[appellante sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond centraal of de vloer van de begane grond van een appartementsgebouw tot de gemeenschappelijke gedeelten van de Vereniging van Eigenaars (VvE) behoort en of het besluit van de VvE tot kostenomslag voor herstel van houtrot en zwam geldig is. Appellanten, eigenaren van appartementen op de tweede en derde verdieping, stelden dat de vloerbalken niet gemeenschappelijk zijn en dat de besluiten tot kostenverdeling nietig zijn.
De akte van splitsing uit 1970 en het toepasselijke modelreglement vormden de basis voor de beoordeling. Het hof stelde vast dat de vloerbalken geen deel uitmaken van het privégedeelte van het appartement op de begane grond, maar gemeenschappelijk zijn, mede omdat zij de trap naar boven dragen en de vloer de scheiding vormt met de gemeenschappelijke kruipruimte.
Appellanten voerden ook aan dat het voorzitterschap van de voorzitter van de VvE niet rechtsgeldig was, maar dit werd als een nieuwe en te late grief verworpen. De vorderingen van appellanten tot nietigverklaring van de besluiten werden afgewezen. De vorderingen van de VvE tot verklaring voor recht dat de vloerbalken gemeenschappelijk zijn en tot kostenverdeling werden bekrachtigd. Appellanten werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het besluit dat de vloerbalken gemeenschappelijk zijn en veroordeelt appellanten in de kosten van het geding.