Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
- memorie van grieven, tevens wijziging/vermeerdering van eis, met producties,
- memorie van antwoord, tevens akte uitlating vermeerderingen/aanvullingen van eis.
2.Feiten
grief Iverzoekt [appellante] het hof weliswaar tot een eigen vaststelling van de feiten over te gaan, maar zij stelt – behoudens het navolgende – niet dat en waarom de feitenvaststelling van de kantonrechter onjuist is. In zoverre mist de grief dus doel. Voorts klaagt [appellante] er met deze grief over dat de kantonrechter in rov 2.11 ten onrechte suggereert dat partijen een gelijke onderhande-lingspositie hadden, zulks terwijl dat volgens [appellante] niet het geval was. Ook in zoverre treft de grief geen doel, omdat de door [appellante] gestelde suggestie niet in de aangevallen vaststelling besloten ligt. Voor het overige zijn de door de kantonrechter vastgestelde feiten niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt.
3.Beoordeling
hebben de intentie uitgesproken om gezamenlijk een Bed & Break-fast op te richten op de begane grond van de [adres] (…). De oprichtings- en exploitatievoorwaarden zullen nader door partijen worden bespro-ken en vastgelegd. Een en ander zal uiterlijk plaatsvinden voor 1 augustus 2014.”
grief IIvoert [appellante] geen klacht aan tegen het bestreden vonnis maar beroept zij zich (voor het eerst in appel) op dwaling. Zij stelt dat zij de huurovereenkomst niet zou hebben gesloten, althans niet zou zijn overeengekomen de woonruimte voor haar rekening (met een bijdrage van [geïntimeerde] van € 18.000,=) te zullen verbouwen, als zij had geweten dat zij niet in (oktober) 2014 of begin 2015 kon starten met de door haar beoogde B&B. Zij stelt aldus te hebben gedwaald over de mogelijkheid om binnen redelijke termijn aan de [adres] een B&B te kunnen beginnen. Op basis van deze verkeerde voorstelling van zaken heeft zij een bedrag van € 57.711,= in de woning van [geïntimeerde] geïnvesteerd. Zij vordert dat het door haar als gevolg van deze dwaling geleden nadeel op de voet van art. 6:230 lid 2 BW Pro wordt opgeheven doordat [geïntimeerde] wordt veroordeeld haar een bedrag van € 46.711,= te betalen (het door haar geïnvesteerde bedrag van € 57.711,= minus de tot 1 mei 2015 door [geïntimeerde] verleende huurkorting van in totaal € 11.000,=).
grief VIIkomt [appellante] op tegen (de tweede) rov 6.5 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter heeft geoordeeld, kort gezegd, dat er niet van kan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] [appellante] “in een later stadium” (bedoeld zal zijn: na het sluiten van de huurovereenkomst) heeft toegezegd de door haar gedane investeringen in de woonruimte te vergoeden. [appellante] stelt dat partijen hebben afgesproken dat [appellante] haar investeringen vergoed zou krijgen, als zij binnen vijf jaar (kennelijk: na aanvang van de huur) zou vertrekken, alsmede dat [geïntimeerde] deze toezegging mondeling heeft gedaan en meerdere keren – ook waar anderen bij waren – heeft herhaald. Ter staving hiervan heeft [appellante] in appel een schriftelijke verklaring van [A] overgelegd. [appellante] stelt dat [geïntimeerde] haar op grond van deze afspraak het meergenoemde bedrag van € 46.711,= dient terug te betalen.
grieven III en IVkunnen gezamenlijk worden besproken. Zij houden in dat de kantonrechter ten onrechte het door [appellante] (op basis van art. 7:216 lid 3 BW Pro jo art. 6:212 BW Pro) gedane beroep op ongerechtvaardigde verrijking heeft afgewezen. Zoals zojuist overwogen, wordt er bij de bespreking van deze grieven van uitgegaan dat [appellante] de zojuist besproken afspraak niet heeft kunnen bewijzen.
grieven V en VIzijn gericht tegen rov 6.6 respectievelijk rov 6.7 van het bestreden vonnis en houden in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering tot betaling van € 46.711,= niet toewijsbaar is op de grond dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de intentieverklaring noch op grond van de redelijkheid en billijkheid. Ook hier geldt dat ervan wordt uitgegaan dat [appellante] de onder 3.3.1 genoemde afspraak niet heeft kunnen bewijzen.
grief IX, die niet is gericht tegen enige overweging van het bestreden vonnis maar een (voor het eerst in appel ingestelde) subsidiaire vordering inhoudt (ter grootte van € 3.124,27 en € 7.000,=) voor het geval de vordering van € 46.711,= niet (geheel) wordt toegewezen, oordeelt het hof als volgt.
maximaal€ 18.000,=. Doordat [appellante] de huur tegen 1 mei 2015 heeft opgezegd, heeft zij zelf bewerkstelligd dat de bijdrage van [geïntimeerde] beperkt is gebleven tot de op dat moment gegeven huurkorting van in totaal € 11.000,=.