Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Vonnis waarvan beroep
6. De strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding
Strafbaarheid van het feit
Strafbaarheid van de verdachte
Gerechtshof Amsterdam
In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bevestigd waarin verdachte werd veroordeeld voor het overschrijden van de grenzen van noodzakelijke verdediging. De zaak betreft een incident waarbij verdachte werd aangevallen met een groot mes, wat een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding vormde.
Het hof stelde vast dat verdachte gedurende vijf tot tien minuten bovenop de aangever zat, hem meerdere keren sloeg, in het gezicht beet en met duimen de ogen indrukte, waarbij ernstig letsel werd toegebracht. Hoewel de verdediging een beroep deed op noodweerexces, oordeelde het hof dat het handelen van verdachte niet het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding.
De verklaringen van verdachte en aangever verschilden, maar het hof nam de verklaring van verdachte als uitgangspunt, tenzij deze onaannemelijk werd bevonden. De gedragingen van verdachte, waaronder zijn uitlatingen in de ambulance en het agressieve geweld, wezen niet op hevige angst of paniek maar op boosheid.
De strafrechtelijke beoordeling leidde tot bevestiging van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee voorwaardelijk, gezien de ernst van het feit en recidive. De persoonlijke omstandigheden van verdachte brachten geen aanleiding tot een andere straf.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, wegens overschrijding van noodzakelijke verdediging zonder noodweerexces.