ECLI:NL:GHAMS:2018:956

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
21 maart 2018
Zaaknummer
200.221.634/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArtikel V lid 1 Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart 1956Artikel 5 protocol bij het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart 1956
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot zekerheidstelling proceskosten op grond van verdrag met Verenigde Staten

In deze civiele zaak in hoger beroep vordert geïntimeerden dat appellant zekerheid stelt voor proceskosten en schadevergoeding, omdat appellant geen woonplaats in Nederland heeft. Appellant woont in de Verenigde Staten en beroept zich op het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen Nederland en de VS uit 1956, dat hem vrijstelt van de verplichting tot zekerheidstelling.

Het hof overweegt dat artikel 224 lid 1 Rv Pro inderdaad vereist dat een partij zonder woonplaats in Nederland zekerheid stelt, tenzij uitzonderingen van artikel 224 lid 2 Rv Pro van toepassing zijn. Het hof stelt vast dat het Verdrag met de VS, en het bijbehorende protocol, een dergelijke uitzondering vormen. Het Verdrag garandeert onderdanen van de ene partij nationale behandeling en omvat het recht op vrijstelling van het storten van een waarborgsom voor kosten.

Omdat appellant onbetwist in de VS woont en daarmee onderdaan is in de zin van het Verdrag, is hij vrijgesteld van zekerheidstelling. De vordering van geïntimeerden wordt daarom afgewezen. De kosten van het incident worden aan geïntimeerden opgelegd bij het eindarrest. De hoofdzaak wordt verwezen voor verdere behandeling.

Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling wordt afgewezen wegens vrijstelling op grond van het verdrag met de Verenigde Staten.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.221.634/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 5452808 CV EXPL 16-30752
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 maart 2018
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats 1] , [land] ,
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. R.J. Ottens te Noordwijk,
tegen:

1.[geïntimeerde sub 1] ,

wonend te [woonplaats 2] ,
2.
[geïntimeerde sub 2],
wonend te [woonplaats 3] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. H.P. Vos te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 11 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2017 dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- incidentele memorie tot zekerheidstelling voor de proceskosten ex artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
- memorie van antwoord in het incident.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.
[geïntimeerden] hebben incidenteel gevorderd dat het hof [appellant] zal bevelen zekerheid te stellen voor een bedrag van € 2.286,- aan te verwachten proceskosten en schadevergoeding door storting van dit bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van [geïntimeerden] dan wel het stellen van een bankgarantie van een “eersteklas” Nederlandse bankinstelling, binnen een termijn van twee weken na arrest in dit incident, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.
[appellant] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident.

2.Beoordeling

in het incident
2.1.
Op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen van toepassing is.
2.2.
Ter onderbouwing van hun incidentele vordering tot zekerheid hebben [geïntimeerden] aangevoerd dat [appellant] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft, dat geen van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen zich voordoet en dat [appellant] niet heeft gereageerd op een verzoek tot het stellen van zekerheid.
2.3.
[appellant] heeft als verweer aangevoerd dat hij woonachtig is in de Verenigde Staten van Amerika (verder: de VS) en dat de VS op 27 maart 1956 met Nederland het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart (Trb. 1956, 40) heeft gesloten (hierna: het Verdrag), waaruit voortvloeit dat de verplichting tot zekerheidstelling voor hem niet geldt.
2.4.
Ingevolge art. 224 lid 2 aanhef Pro en onder a Rv geldt de verplichting tot het stellen van zekerheid niet, indien dit voortvloeit uit een verdrag of een EG-verordening. Artikel V lid 1 van het Verdrag luidt als volgt:
“1. Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten met betrekking tot het recht zich in elke aanleg te wenden tot de gewone rechter, administratieve scheidsgerechten en instanties, zowel ter verkrijging als ter verdediging van hun recht. Het is wel verstaan, dat vennootschappen van de ene Partij, welke niet werkzaam zijn binnen het grondgebied van de andere Partij, hetzelfde recht zullen hebben, zonder dat inschrijving of vestiging zal zijn vereist.”
Artikel 5 van Pro het bij het Verdrag behorende protocol luidt als volgt:
“5. Het recht bedoeld in artikel V, lid 1, omvat onder meer het recht op rechtskundige bijstand, op kosteloos procederen en op vrijstelling van het storten van een waarborgsom voor de kosten.”
2.5.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] woonachtig is in de VS, vloeit uit artikel V lid 1 van het Verdrag in verbinding met artikel 5 van Pro het bij het Verdrag behorend protocol voort dat [appellant] als onderdaan van de VS in de zin van het Verdrag vrijgesteld zal zijn van het stellen van zekerheid voor (proces)kosten in Nederland. Daarmee doet zich hier de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef Pro en sub a Rv voor. De incidentele vordering tot zekerheidstelling van [geïntimeerden] zal dan ook worden afgewezen.
2.6.
[geïntimeerden] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van dit incident.
in de hoofdzaak
2.7.
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden]

3.Beslissing

Het hof:
in het incident
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 1 mei 2018 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C.C. Meijer en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.