Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid bezwaar
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2011 en 2012, die respectievelijk op 7 maart 2014 en 30 december 2014 waren opgelegd. De inspecteur verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn. Tevens werden de bezwaren aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering, die werden afgewezen.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde de beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring ongegrond en de beroepen tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het Hof Amsterdam bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het overwoog dat de bezwaartermijn zes weken bedraagt en dat de bezwaarschriften pas op 23 maart 2016 werden ontvangen, ruim na het verstrijken van de termijn. Er was geen verschoonbare reden voor de overschrijding aangevoerd. Ook het beroep tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering was niet-ontvankelijk omdat eerst bezwaar moet worden ingesteld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.