ECLI:NL:GHAMS:2019:1014
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderbijdrage na beëindiging relatie en vaststelling draagkracht
Partijen hadden een relatie van 2005 tot 2007 waaruit een kind is geboren. De vader heeft het kind erkend maar draagt niet structureel bij in de kosten van verzorging en opvoeding. De moeder oefent het gezag uit en verzorgt het kind.
De rechtbank had een bijdrage van €190 per maand vastgesteld, maar de moeder ging in hoger beroep en stelde een hogere behoefte en draagkracht vast. Het hof hanteerde de richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen en het NIBUD en nam bijzondere kosten zoals paardrijden, remedial teaching en oppaskosten mee.
Het hof ging uit van een fictief netto besteedbaar inkomen van de vader van €10.000 per maand, aangezien de vader dit onvoldoende betwistte. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €1.454 per maand. De draagkracht van de vader werd berekend op €6.080 en die van de moeder op €3.297 per maand. Er werd geen zorgkorting toegepast omdat er geen omgang is tussen vader en kind.
De bijdrage van de vader werd vastgesteld op €943 per maand, met inachtneming dat hij de kosten van paardrijden over een bepaalde periode in mindering mag brengen. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep van de vader werd afgewezen.
Uitkomst: De vader moet vanaf 28 april 2017 €943 per maand kinderalimentatie betalen.