Partijen zijn in 2014 gehuwd en hun huwelijk is in 2018 ontbonden. De kern van het geschil betreft de verdeling van sieraden en munten uit de huwelijksgemeenschap en de draagplicht voor de studieschuld van de man.
De vrouw stelde dat enkele munten waren weggegeven en een collierset verdwenen was, terwijl de man dit betwistte. Het hof oordeelde dat twee munten als cadeau waren gegeven, maar dat het niet was komen vast te staan dat de collierset verdwenen was. Lijfsieraden die de vrouw vóór het huwelijk had, worden aan haar toegedeeld met verrekening van de waarde.
Ten aanzien van de studieschuld voerde de vrouw aan dat zij niet mee zou moeten betalen, omdat de schuld voor het huwelijk was gemaakt en de man had beloofd deze zelf te dragen. Het hof verwierp dit, stellende dat geen bewijs was geleverd van een dergelijke afspraak en dat de omstandigheden geen reden gaven om af te wijken van de hoofdregel dat schulden in de gemeenschap vallen.
Het hof vernietigde het deel van de beschikking over de sieraden en bepaalde een nieuwe verdeling, bekrachtigde de rest van de beschikking en wees het meer of anders gevorderde af.