ECLI:NL:GHAMS:2019:1190
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van opzet bij medeplegen bedrieglijke bankbreuk
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam in een strafzaak betreffende medeplegen en medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk. Verdachte werd ervan beschuldigd betrokken te zijn bij flessentrekkerij via twee vennootschappen, waaronder het oprichten en besturen van deze ondernemingen.
Tijdens het onderzoek en de zittingen is vastgesteld dat verdachte als zogenoemde 'katvanger' handelingen verrichtte zoals het oprichten van een vennootschap, inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het openen van bankrekeningen, maar dat hij geen kennis had van de criminele intenties achter deze handelingen. De advocaat-generaal vorderde bewezenverklaring, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.
Het hof oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte het opzet had, al dan niet voorwaardelijk, op de bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers. Verdachte heeft zich niet ingespannen om kennis te verkrijgen van de illegale context. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
De zaak illustreert het belang van het aantonen van opzet bij medeplegen van faillissementsfraude en bevestigt dat louter formele betrokkenheid zonder bewijs van opzet onvoldoende is voor een veroordeling.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor opzet op bedrieglijke verkorting van schuldeisers.