ECLI:NL:GHAMS:2019:1321
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot verval van instantie in civiele procedure
In deze civiele procedure is door geïntimeerden incidenteel gevorderd dat de procedure bij het hof zou komen te vervallen wegens het niet verrichten van een proceshandeling door appellant binnen twaalf maanden, zoals bedoeld in artikel 251 Rv Pro. Het hof heeft geoordeeld dat aan deze vereisten niet is voldaan, aangezien de zaak niet langer dan twaalf maanden stilligt wegens het ontbreken van een proceshandeling van appellant.
De vordering tot verval van instantie is daarom afgewezen. De beslissing over de proceskosten in het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. Tevens is de hoofdzaak verwezen naar de rol van 28 mei 2019 voor het nemen van een memorie van antwoord door geïntimeerden.
Het arrest is gewezen door de meervoudige burgerlijke kamer van het Gerechtshof Amsterdam en op 16 april 2019 in het openbaar uitgesproken. De procedure wordt voortgezet met het oog op verdere behandeling van de hoofdzaak.
Uitkomst: De vordering tot verval van instantie is afgewezen en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.