Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,
Gerechtshof Amsterdam
AAI verkocht een kunstcollectie die deels uit vervalsingen bestond en waarvan de waarde aanzienlijk lager was dan de koopprijs. De rechtbank veroordeelde de verkopende vennootschap tot schadevergoeding wegens non-conformiteit, maar wees de vordering tegen de bestuurder af. In hoger beroep bevestigde het hof deze beslissing.
De feiten betreffen een herfinanciering waarbij de kunstcollectie werd overgedragen en verkocht. Deskundigen stelden vast dat ongeveer een derde van de werken niet authentiek was en dat de waarde aanzienlijk lager lag dan eerder getaxeerd. Diverse taxatierapporten bleken onvoldoende onderbouwd en hielden geen rekening met authenticiteit.
AAI stelde dat de bestuurder persoonlijk aansprakelijk was wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm en bestuurdersaansprakelijkheid, verwijzend naar jurisprudentie. Het hof oordeelde echter dat onvoldoende feiten waren gesteld om aan te nemen dat de bestuurder wetenschap had van de vervalsingen of opzettelijk misleidde. Ook het argument dat de bestuurder bewust het risico had genomen, werd verworpen.
Het hof benadrukte dat het ontbreken van documentatie en certificaten niet automatisch wijst op kwade trouw. De koopprijs was lager dan eerdere taxaties, maar dit verschil was onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. Bewijsaanbod van AAI werd als te vaag verworpen. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde AAI in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tegen de bestuurder af en bekrachtigt het vonnis dat de vennootschap aansprakelijk is voor schadevergoeding.