Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Standpunten van partijen
5.Beoordeling van het geschil
Het verkochte bouwterrein [Hof: het thans in geding zijnde terrein] is geheel bouwrijp gemaakt en is inmiddels niet door partijen of door derden gebruikt zodat mitsdien terzake van de onderhavige verkrijging omzetbelasting verschuldigd is (…).’
bouwrijpe staat, waarin besloten ligt dat het was ontdaan van houtopstand. Belanghebbende heeft voorts verklaard dat de omgevingsvergunning die is verleend aan [B] BV, nog steeds gold ten tijde van de levering en dat zij in het najaar van 2014 zelfs getracht heeft om een deel van die bouwplannen alsnog te realiseren. Zij heeft daartoe het plan in afgeslankte vorm in de markt gezet door tussenkomst van makelaars, maar daarvoor bleek onvoldoende belangstelling.
nietdoor de groei van een houtopstand ongedaan is gemaakt, niet langer in geschil is dat aan belanghebbende een bouwterrein is geleverd als bedoeld in artikel 11, lid 4, onderdeel a, van de Wet OB (tekst 2014): zijnde een terrein waaraan bewerkingen hebben plaatsgevonden met het oog op de bebouwing van de grond. Het Hof zal dienovereenkomstig oordelen.
waar die bouwvergunning betrekking op had, geeft, wat daar verder ook van zij, naar het oordeel van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, daar een dergelijke beperkte uitleg in strijd zou komen met een richtlijnconforme interpretatie (vgl. Woningstichting Maasdriel (C-543/11, ECLI:EU:C:2013:20, r.o. 30, BNB 2013/85).
Niet in geschil is dat [B] BV heeft verzocht om heractivering van haar registratie bij de belastingdienst. Dat verzoek is ingewilligd waarbij in plaats van het oorspronkelijke B01-nummer een B02-nummer is toegekend. Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen verklaren waarom dit is gebeurd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding dit aan eiseres tegen te werpen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de factuur is uitgereikt door de ondernemer die de grond aan eiseres heeft geleverd. De stelling van verweerder dat sprake is van een onjuiste factuur die aan aftrek van de voorbelasting in de weg staat, faalt. Het gelijk is in zoverre aan de zijde van eiseres”.
te voldoen”] kan de in hoger beroep betrokken stelling dat de factuur slechts een betaalbewijs vormt, evenmin worden gevolgd. De stelling dat aan de factuur formele gebreken kleven die aan de aftrek van de voorbelasting door belanghebbende in de weg staan, wordt dan ook verworpen.