ECLI:NL:GHAMS:2019:1760

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2019
Publicatiedatum
28 mei 2019
Zaaknummer
23-002123-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep rijden onder invloed van cocaïne met voorwaardelijke rijontzegging

In hoger beroep is het vonnis van de politierechter bevestigd wat betreft de bewezenverklaring van het rijden onder invloed van cocaïne door de verdachte. De politierechter had een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week en een onvoorwaardelijke rijontzegging van negen maanden opgelegd. Het hof vernietigt de strafoplegging en vervangt deze door een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het feit, waarbij de verdachte bewust de verkeersveiligheid in gevaar bracht. De verdachte wordt als first offender beschouwd, omdat eerdere veroordelingen niet voor verkeersdelicten waren. Tevens is meegewogen dat de verdachte sinds 2015 niet meer heeft gereden vanwege een ongeldig verklaard rijbewijs en dat hij positieve stappen zet in zijn verslavingsproblematiek, waaronder vrijwilligerswerk en het zoeken van huisvesting.

De advocaat-generaal en de raadsman hadden verschillende strafeisen, waarbij de raadsman pleitte voor een voorwaardelijke straf gelet op persoonlijke omstandigheden en jurisprudentie. Het hof acht een geldboete niet opportuun en legt een voorwaardelijke rijontzegging op om enerzijds de positieve ontwikkelingen van de verdachte niet te frustreren en anderzijds herhaling te voorkomen.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 mei 2019 en bevestigt het vonnis behalve de strafoplegging, die wordt aangepast conform het bovenstaande.

Uitkomst: Voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden met een proeftijd van twee jaar opgelegd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002123-18
datum uitspraak: 20 mei 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer
96-016624-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat de strafmotivering wordt vervangen door de navolgende.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de strafoplegging. Hij heeft gevorderd aan de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft een voorwaardelijke straf bepleit gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en gelet op het arrest dat op 6 mei 2019 in een soortgelijke zaak door het gerechtshof Den Haag is uitgesproken, waarin als uitgangspunt een geldboete van € 850,00 en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden wordt genoemd (ECLI:NL:GHDHA:2019:922).
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een auto op de openbare weg onder invloed van cocaïne. Door aldus te handelen heeft de verdachte bewust de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Bij het bepalen van de straf zoekt het hof aansluiting bij straffen die rechters in soortgelijke zaken voor
first offendersveelal opleggen, te weten een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Naargelang de omstandigheden van het geval, zoals recidive, gevaarlijk rijgedrag en combinatiegebruik van drugs met andere drugs of alcohol, kan hiervan in strafverzwarende zin worden afgeweken.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 april 2019 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, hetzij niet voor verkeersdelicten, zodat het hof de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit als
first offenderzal beschouwen.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren heeft gebracht. Daaruit is gebleken dat de verdachte na een lange periode van verslaving zijn leven op de rit tracht te krijgen. Zo heeft hij huisvesting gevonden, ontvangt hij inkomen in de vorm van een uitkering en verricht hij vrijwilligerswerk door ervaringen uit zijn verslavingsverleden te delen. Alhoewel drugsgebruik een wankel evenwicht blijft, lijkt de verdachte de juiste stappen te zetten om aan zijn verslavingsproblematiek te ontkomen. Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte sinds 2015 geen auto meer heeft bestuurd omdat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard in verband met het niet kunnen betalen van het rijgeschiktheidsonderzoek bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Nu de verdachte voornemens is alsnog aan dit onderzoek deel te nemen om weer over zijn rijbewijs te kunnen beschikken, acht het hof – met de advocaat-generaal en de raadsman – oplegging van enkel een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voldoende om enerzijds de positieve ontwikkelingen van de verdachte niet te doorkruisen en anderzijds hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een verkeersdelict te plegen. Oplegging van een geldboete acht het hof in dit geval niet opportuun.
Het hof acht, alles afwegende en tevens de veelvuldige toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht in aanmerking genomen, een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 mei 2019.
De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]