Naftogaz verzocht het Gerechtshof Amsterdam om erkenning en tenuitvoerlegging van een in Zweden gewezen arbitraal vonnis tegen Gazprom. Tijdens de mondelinge behandeling was Gazprom niet verschenen en had zij geen verweerschrift ingediend. Naftogaz toonde aan dat zij Gazprom per deurwaardersexploot en aangetekende brief had opgeroepen, maar er ontbrak een bericht van de centrale autoriteit van Rusland dat de betekening conform het Haags Betekeningsverdrag had plaatsgevonden.
Het hof stelde vast dat Rusland een voorbehoud had gemaakt tegen directe postbezorging, waardoor de aangetekende brief geen geldige oproeping vormde. Hierdoor was Gazprom niet behoorlijk opgeroepen en kon het hof niet over het verzoek beslissen. Het hof bepaalde dat de beslissing op het verzoek moet worden aangehouden en dat Gazprom opnieuw moet worden opgeroepen voor een nieuwe mondelinge behandeling, die pas na een termijn van ten minste zes maanden kan plaatsvinden.
Tijdens de nieuwe behandeling zal het verzoek opnieuw worden beoordeeld en krijgen beide partijen de gelegenheid hun standpunten toe te lichten. Het hof wees ook op de lopende procedure in Zweden waarin Gazprom vernietiging van het arbitraal vonnis vordert. De beschikking werd uitgesproken door drie raadsheren op 21 mei 2019.