Uitspraak
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
[geïntimeerde sub 3],
[geïntimeerde sub 4],
[geïntimeerde sub 5]
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak vordert [naam makelaarskantoor] vergoeding van €100.000,- wegens ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerden] door investeringen in een bedrijfspand dat zij van de moeder van [geïntimeerden] huurde. Na het overlijden van de moeder zijn [geïntimeerden] eigenaar geworden van het pand.
[naam makelaarskantoor] had het pand sinds 2000 gehuurd en aanzienlijke verbouwingswerkzaamheden verricht. De huur werd opgezegd per 1 januari 2016. Een taxateur stelde dat de investeringen een meerwaarde van circa €100.000,- hadden gecreëerd. [naam makelaarskantoor] vorderde deze vergoeding hoofdelijke van [geïntimeerden].
De kantonrechter wees de vordering af omdat de stellingen onvoldoende waren gemotiveerd. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat artikel 7:216 lid 3 BW Pro, dat de huurder een vergoeding toekent voor geoorloofde veranderingen, een regelend recht betreft dat in deze zaak wordt uitgesloten door een contractuele bepaling in de algemene voorwaarden. Hierdoor kan geen vergoeding worden gevorderd. Het bewijsaanbod van [naam makelaarskantoor] wordt gepasseerd en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van [naam makelaarskantoor] af wegens een contractuele bepaling die vergoeding uitsluit.