ECLI:NL:GHAMS:2019:2107

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juni 2019
Publicatiedatum
24 juni 2019
Zaaknummer
23-002795-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met wijziging strafoplegging wegens bezit hennep in woning

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter bevestigd met uitzondering van de strafoplegging. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan één week voorwaardelijk. Het hof vernietigde deze straf en legde een taakstraf van 60 uur op, met een subsidiaire hechtenis van 30 dagen.

De zaak betrof het aantreffen van een grote hoeveelheid hennep in de woning van de verdachte, die de gedoogde hoeveelheid voor eigen gebruik aanzienlijk overschreed. Dit bezit draagt bij aan het illegale circuit van softdrugs, wat maatschappelijke problemen veroorzaakt. Het hof hield rekening met de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Verder stelde het hof dat het ontbreken van een ziektekostenverzekering geen belemmering vormt voor het opleggen van een taakstraf. De opgelegde taakstraf wordt verminderd met voorarrest volgens de maatstaf van twee uur taakstraf per dag voorarrest. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 7 juni 2019.

Uitkomst: Het hof vernietigt de opgelegde gevangenisstraf en legt een taakstraf van 60 uur op met subsidiaire hechtenis van 30 dagen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002795-18
Datum uitspraak: 7 juni 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 augustus 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-172148-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
adres: [locatie] , 2035 EV Haarlem.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de gronden waarop het vonnis berust aanvult met het volgende bewijsmiddel:
een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2017176023-5 van 23 augustus 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (ongenummerd).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 23 augustus 2017 benaderden wij het perceel [locatie] te Haarlem. In een van de kamers trof ik twee zakken met drugs aan, vermoedelijk hennep of hennep gerelateerde substantie. Verder stond in deze kamer op de grond een grote plastic zak, gevuld met een soort poeder, welke riekte naar hennepachtige geur. Terwijl ik enkele minuten in deze woning was, trad plotseling een man de flatwoning binnen en gaf op te zijn genaamd [verdachte] .

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft primair verzocht te volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, gelet op de aard en de ernst van het feit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht aan de verdachte een – al dan niet geheel – voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Daartoe heeft hij verwezen naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door in de woning waar hij verbleef een grote hoeveelheid hennepplanten of delen daarvan aanwezig te hebben. De aangetroffen hoeveelheid gaat de gedoogde hoeveelheid voor eigen gebruik ver te boven. De verdachte draagt, door die hoeveelheid in zijn bezit te hebben, bij aan de instandhouding van het illegale circuit betreffende de handel in softdrugs met alle daarbij komende maatschappelijke problemen.
Bij de strafoplegging heeft het hof voorts acht geslagen op de straffen die ter zake van het aanwezig hebben van hennep plegen te worden opgelegd, zoals is vermeld in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uren genoemd voor het aanwezig hebben van 2.500 tot 5.000 gram hennep. Gelet hierop en gelet ook op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken acht het hof, anders dan de politierechter, een gevangenisstraf in dit geval niet aangewezen. Evenmin ziet het hof redenen om een langere taakstraf op te leggen dan gevorderd.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof merkt daarbij nog op dat, anders dan de reclassering heeft opgenomen in het advies van 17 oktober 2017, aan de tenuitvoerlegging van een taakstraf in beginsel niet in de weg staat dat de verdachte niet voor ziektekosten verzekerd is. Ook de advocaat-generaal heeft dat bij haar vordering uitdrukkelijk tot uitgangspunt genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. R.D. van Heffen en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juni 2019.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]