ECLI:NL:GHAMS:2019:2204
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herstel ouderlijk gezag en omgangsregeling in belang minderjarige
De moeder verzocht het herstel van het ouderlijk gezag over haar minderjarige dochter, die sinds 2010 onder toezicht staat en sinds 2012 in een gezinshuis woont. Eerdere verzoeken tot herstel van het gezag waren al afgewezen. De moeder stelde dat haar situatie was gewijzigd en dat zij nu in staat was voor haar dochter te zorgen, mede omdat haar zoon weer thuis woont. Tevens verzocht zij om een onderzoek op grond van artikel 810a Rv en de benoeming van een bijzondere curator.
De gezinsinstelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming voerden verweer. Zij stelden dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in de specifieke zorgbehoeften van de minderjarige, die een licht verstandelijke beperking, hechtingsstoornis en ADHD heeft. De GI benadrukte het belang van continuïteit en veiligheid in het gezinshuis en wees uitbreiding van de omgang af vanwege de emotionele belasting voor het kind.
Het hof oordeelde dat herstel van het gezag niet in het belang van de minderjarige is, mede vanwege haar specifieke problematiek en hechting aan het gezinshuis. Het verzoek tot een contra-expertise op grond van artikel 810a Rv werd afgewezen omdat het verzoek geen weerspreking van een standpunt betrof. Ook werd geen bijzondere curator benoemd omdat geen wezenlijk belangenconflict tussen de GI en de minderjarige bestond. Het verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling werd eveneens afgewezen omdat de huidige regeling het maximaal haalbare is in het belang van het kind.
Uitkomst: Verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag, benoeming bijzondere curator, onderzoek en uitbreiding omgangsregeling wordt afgewezen in het belang van de minderjarige.