In deze zaak gaat het om een geschil tussen Deutsche Bank en ASR over de uitkering van een verzekering na het verlies door brand en zinken van een motorjacht. Deutsche Bank, als pandhouder van Eurolink Consultancy B.V., vordert betaling van de verzekerde som onder de verzekering die door ASR is afgesloten. De rechtbank wees de vordering af op grond van vermeende opzet tot misleiding door onjuiste verklaringen van de schipper.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van de schipper niet aan Eurolink als verzekeringnemer kunnen worden toegerekend en dat er geen bewijs is dat Eurolink zelf met opzet de verzekeraar heeft misleid. De mededelingsplicht rust op de verzekeringnemer zelf en kennis van derden, zoals de schipper, wordt niet snel aan de rechtspersoon toegerekend. Ook de overige dekkingsverweren van ASR, zoals onvoldoende zorg en roekeloosheid, falen omdat deze gedragingen niet aan Eurolink kunnen worden toegerekend.
Verder oordeelt het hof dat het beroep van ASR op het indemniteitsbeginsel niet slaagt, mede omdat de verzekering een aanschafwaardegarantie bevat en de premie daarop is gebaseerd. De verzekerde som moet worden uitgekeerd, ook al is de werkelijke waarde van het jacht lager. ASR is daarom gehouden tot betaling van de verzekerde som aan Deutsche Bank, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van Deutsche Bank grotendeels toe.