ECLI:NL:GHAMS:2019:2281
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens voortzetting vervolging ongewenste vreemdeling
Het Gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam in een zaak waarin verdachte werd vervolgd voor het als ongewenste vreemdeling verblijven in Nederland, ondanks een inreisverbod. De zaak betrof feiten gepleegd tussen mei en oktober 2013.
De advocaat-generaal vorderde niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie omdat de prejudiciële vraag die door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie was gesteld over de reikwijdte van artikel 197 Sr Pro nog niet was beantwoord en het niet waarschijnlijk was dat dit op korte termijn zou gebeuren. Daarnaast was het misdrijf van relatief geringe ernst en was er geen concreet slachtoffer.
Het hof overwoog dat voortzetting van de vervolging geen redelijk strafrechtelijk belang meer diende en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de ontvankelijkheid betrof en het hof deed opnieuw recht door niet-ontvankelijkheid uit te spreken.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het ontbreken van een strafrechtelijk belang.