ECLI:NL:GHAMS:2019:2281

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 juni 2019
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
23-003704-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a lid 7 Vreemdelingenwet 2000Art. 422 lid 2 SvArt. 11 lid 2 Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG)
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens voortzetting vervolging ongewenste vreemdeling

Het Gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam in een zaak waarin verdachte werd vervolgd voor het als ongewenste vreemdeling verblijven in Nederland, ondanks een inreisverbod. De zaak betrof feiten gepleegd tussen mei en oktober 2013.

De advocaat-generaal vorderde niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie omdat de prejudiciële vraag die door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie was gesteld over de reikwijdte van artikel 197 Sr Pro nog niet was beantwoord en het niet waarschijnlijk was dat dit op korte termijn zou gebeuren. Daarnaast was het misdrijf van relatief geringe ernst en was er geen concreet slachtoffer.

Het hof overwoog dat voortzetting van de vervolging geen redelijk strafrechtelijk belang meer diende en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de ontvankelijkheid betrof en het hof deed opnieuw recht door niet-ontvankelijkheid uit te spreken.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het ontbreken van een strafrechtelijk belang.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003704-16
datum uitspraak: 27 juni 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-703097-13 tegen
de persoon die is geregistreerd onder SKN-nummer [nummer] en is gedagvaard als:
[verdachte 1],
geboren te [geboorteplaats 1] (Algerije) op [geboortedag] 1981,
en ter terechtzitting als zijn personalia heeft opgegeven:
[verdachte 2]
geboren te [geboorteplaats 2] (Marokko) in 1978,
adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
De strafzaak heeft in hoger beroep het parketnummer 23-000217-14 gekregen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2016 is hetgeen in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 13‑703097-13 onder 4 ten laste was gelegd, afgesplitst; dit laatste feit is thans onder parketnummer 23-003704-16 geregistreerd. Die zaak is in dit arrest aan de orde.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 mei 2013 tot en met 15 oktober 2013, op
- 24 mei 2013 (parketnummer 13/703586-13) en/of
- 9 september 2013 (parketnummer 13/703004-13) en/of
- 21 september 2013 (parketnummer 13/703097-13) en/of
- 15 oktober 2013 (parketnummer 13/703252-13)
te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan de eerste rechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het openbaar ministerie ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten niet‑ontvankelijk wordt verklaard in de strafvervolging en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De onzekerheid over de reikwijdte van het bepaalde in artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) duurt al geruime tijd en het valt niet te verwachten dat daarover binnen afzienbare termijn duidelijkheid ontstaat. Naar verwachting zal het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) de door de Hoge Raad bij arrest van 27 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2192) gestelde prejudiciële vragen over de reikwijdte van voormelde strafbepaling pas over een jaar beantwoorden. Gelet daarop en gelet ook op het aanzienlijke tijdsverloop sinds het tenlastegelegde acht het openbaar ministerie het niet langer redelijk en zinvol de vervolging in de onderhavige strafzaak voort te zetten.
De verdediging heeft te kennen gegeven zich aan te sluiten bij het standpunt van de advocaat-generaal.
Het hof overweegt als volgt.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 29 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:515) in verband met de reikwijdte van artikel 197 Sr Pro een prejudiciële vraag gesteld aan het HvJ EU over de aanvangstermijn van het inreisverbod, zoals onder meer genoemd in artikel 11, tweede lid, van Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, PbEG 1348/98). Het HvJ EU heeft die vraag beantwoord bij arrest van 26 juli 2017 (ECLI:EU:C:2017:590), waarna de Hoge Raad in de desbetreffende zaak eindarrest heeft gewezen op 14 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2862).
In een daarop volgende zaak heeft de Hoge Raad op 27 november 2018 opnieuw een prejudiciële vraag gesteld aan het HvJ EU, eveneens over (artikel 11, tweede lid, van) de Terugkeerrichtlijn in verband met de toepasselijkheid van artikel 197 Sr Pro (ECLI:NL:HR:2018:2192).
Naar het hof ambtshalve bekend is, is sinds eerstgenoemd arrest van de Hoge Raad (in 2016) in reeds aanhangig gemaakte zaken tegen zogeheten derdelanders – op wie de Terugkeerrichtlijn van toepassing is en die worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan het misdrijf van artikel 197 Sr Pro – de behandeling voor onbepaalde tijd aangehouden. Nieuwe zaken zijn over het algemeen niet bij de strafrechter aangebracht.
De beantwoording van de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vraag is essentieel voor de beoordeling in de onderhavige strafzaak. Het is niet waarschijnlijk dat het HvJ EU de op 27 november 2018 door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vraag op afzienbare termijn zal beantwoorden. Voorts kan worden geconstateerd dat sinds het tenlastegelegde inmiddels langere tijd is verstreken. Het in artikel 197 Sr Pro strafbaar gestelde misdrijf is van relatief geringe ernst, in die zin dat daarvan geen concrete personen slachtoffer (kunnen) zijn en ten hoogste zes maanden gevangenisstraf kan worden opgelegd.
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het openbaar ministerie – naar in het hiervoor weergegeven standpunt van de advocaat-generaal ligt besloten – zelf van mening is dat met voortzetting van de vervolging redelijkerwijs geen enkel strafrechtelijk belang meer is gediend en voortzetting van die vervolging thans niet opportuun is, zal het hof ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten het openbaar ministerie – zoals gevorderd – in die vervolging niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover hier aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het in de zaak met parketnummer 13‑703097-13 onder 4 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. N.A. Schimmel en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 juni 2019.
[......]