ECLI:NL:GHAMS:2019:2753
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging ontneming schone lei wegens verzwijging inkomsten uit arbeid in schuldsaneringsregeling
Appellante kwam in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland dat bepaalde dat artikel 385 lid 1 Faillissementswet Pro (ontneming schone lei) geen toepassing zou vinden. De rechtbank had dit vonnis gebaseerd op de constatering dat appellante inkomsten uit arbeid had verzwegen die haar afloscapaciteit verhoogden, waardoor zij haar schuldeisers niet correct heeft afgedragen.
Appellante voerde aan dat de handelwijze van de beschermingsbewindvoerder tekortschiet en dat zij genoodzaakt was te werken vanwege financiële problemen en een laag IQ van haar echtgenoot, wat haar handelwijze zou rechtvaardigen. De bewindvoerder stelde echter dat appellante bewust haar inkomsten had verzwegen en geen afdrachten had verricht, waardoor een boedelachterstand van circa €13.000 was ontstaan.
Het hof oordeelde dat appellante haar schuldeisers ernstig heeft benadeeld door het verzwijgen van inkomsten en het niet afdragen daarvan, en dat dit een grond vormt voor ontneming van de schone lei volgens artikel 350 lid 3 sub e en Pro artikel 385a lid 1 Faillissementswet. De persoonlijke omstandigheden van appellante en haar echtgenoot ontslaan haar niet van haar verplichtingen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de schone lei wordt ontnomen wegens verzwijging van inkomsten uit arbeid en benadeling van schuldeisers.