ECLI:NL:GHAMS:2019:3102
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor invoer van cocaïne ondanks beroep op psychische overmacht
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, waarin verdachte was veroordeeld voor het invoeren van cocaïne. De verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij onder psychische overmacht handelde omdat hij door een medeverdachte was bedreigd en mishandeld.
Het hof onderzocht de voorwaarden voor psychische overmacht, waaronder de eis van een van buiten komende drang waaraan verdachte geen weerstand kon bieden. Uit het dossier en de overgelegde WhatsApp-berichten bleek dat de bedreigingen niet serieus werden genomen door de ex-vrouw van verdachte en dat er geen aangifte van bedreiging was gedaan. Het hof baseerde zich vooral op de eigen verklaring van verdachte en concludeerde dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij onder zodanige dwang handelde.
Verder oordeelde het hof dat verdachte vrijwillig naar Suriname was gereisd en zelf de keuze had gemaakt om in een woning van de medeverdachte te wonen, van wie hij geld leende en drugs kreeg. Ook het feit dat de medeverdachte werd vervolgd veranderde niets aan het oordeel, omdat niet was gebleken dat deze werd vervolgd voor bedreiging van verdachte.
Het hof verwierp daarom het beroep op psychische overmacht en bevestigde het vonnis van de politierechter. De opgelegde straf bestond uit een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan twee voorwaardelijk, en het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.