In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd. De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 10 januari 2018 te Breda op de A16 een personenauto bestuurde terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en nog niet was teruggegeven. De politierechter had de verdachte vrijgesproken.
De verdediging voerde aan dat de teruggave van het rijbewijs juridisch al op 5 januari 2018 had plaatsgevonden, hoewel de brief pas op 10 januari werd verstuurd en de verdachte deze nog niet had ontvangen. Het hof verwierp dit verweer en stelde dat het moment van feitelijke teruggave bepalend is, en dat de verdachte op het moment van rijden nog niet over zijn rijbewijs kon beschikken.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde had begaan en verklaarde het strafbaar als overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Desondanks legde het hof geen straf of maatregel op, omdat de officier van justitie niet met gepaste voortvarendheid uitvoering had gegeven aan de beslissing tot teruggave van het rijbewijs.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 augustus 2019.