Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Verder verloop van het geding
2.Feiten
Kernpunten in verslagjaar
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen een ex-bestuurder van GVB Holding N.V. en de vennootschap zelf. Naar aanleiding van media-aandacht over vermeende misstanden binnen GVB gaf de Raad van Commissarissen opdracht tot een onderzoek door BDO Investigations B.V. De RvC trok conclusies uit het rapport en publiceerde deze in een persbericht en later in het jaarverslag 2012.
De ex-bestuurder stelde dat deze publicaties onrechtmatig waren jegens hem, onder meer omdat hij niet vooraf was gehoord en de conclusies niet door het rapport werden gedragen. Het hof oordeelde dat de RvC voldoende zorgvuldigheid in acht had genomen, dat het onderzoek inclusief hoor en wederhoor was uitgevoerd, en dat er geen algemene plicht bestond om de ex-bestuurder vooraf te horen. De RvC had beoordelingsvrijheid om de conclusies te trekken, ook al waren die kritisch.
Verder werd geoordeeld dat de publicaties gerechtvaardigd waren gezien het maatschappelijke belang en de noodzaak om te reageren op de media-aandacht. De ex-bestuurder kon zich niet beroepen op onrechtmatigheid van de publicaties in het persbericht en het jaarverslag. Het beroep op verjaring werd verworpen vanwege stuiting. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen van de ex-bestuurder af.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de ex-bestuurder af en bevestigt dat GVB niet onrechtmatig heeft gehandeld door publicatie van de conclusies.