Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- conclusie na enquête, met producties, door Pantar;
- conclusie na enquête, met producties, door [appellant] .
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak staat het ontslag op staande voet van appellant centraal, dat is gebaseerd op het verstrekken van verdovende middelen aan een collega op 13 januari 2017. Het hof heeft uitgebreid bewijs, waaronder getuigenverklaringen van meerdere betrokkenen, WhatsApp-berichten en een geluidsopname van een gesprek tussen appellant en een derde partij, beoordeeld.
Getuigenverklaringen van de collega die de drugs ontving en een partner die het gesprek met appellant opnam, ondersteunen het standpunt dat appellant drugs heeft verstrekt. Appellant ontkent dit, maar het hof acht zijn verklaringen en gedragingen, waaronder zijn communicatie met de derde partij en het feit dat hij geld aanbood om de beschuldigingen te laten stoppen, ongeloofwaardig.
Het hof concludeert dat het verstrekken van verdovende middelen een dringende reden vormt voor ontslag op staande voet, zoals bedoeld in artikel 7:678 BW Pro. De omstandigheden, zoals het dienstverband en functioneren van appellant, doen hieraan niet af. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt afgewezen en appellant krijgt geen transitievergoeding vanwege ernstig verwijtbaar gedrag.
Daarnaast wijst het hof een grief van appellant af over een vermeende onterechte inhouding van een bedrag, omdat deze inhouding loonbelasting betrof en niet tot verrekening kon leiden. Het incidentele appel wordt niet-ontvankelijk verklaard en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bevestigt het ontslag op staande voet wegens het verstrekken van verdovende middelen aan een collega en wijst het verzoek tot vernietiging af.