ECLI:NL:GHAMS:2019:3800
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrek specifieke zorgkosten en weekenduitgaven gehandicapten
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015, waarin aftrek voor specifieke zorgkosten en weekenduitgaven voor gehandicapten werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De rechtbank en het hof oordeelden dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2015 kosten heeft gemaakt voor extra kleding en beddengoed vanwege huidproblemen. Het medicatieoverzicht betrof immers 2016 en de enkele behandeling bij een dermatoloog in 2015 was onvoldoende bewijs.
Ten aanzien van de weekenduitgaven voor gehandicapten stelde het hof vast dat de dochter van belanghebbende niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek, omdat zij geen aanspraak maakte op opname in een intramurale inrichting krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Een eigen bijdrage aan het CAK is ook verschuldigd bij beschermd wonen, wat niet voldoet aan de aftrekvoorwaarden.
De stelling dat de wetgever bedoelde om ook deze uitgaven toe te laten werd verworpen, omdat de wet expliciet vereist dat de gehandicapte een indicatie voor opname in een Wlz-instelling moet hebben. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.