De veroordeelde werd eerder veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit de Opiumwet in de periode van januari tot juni 2016. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €6.646,15, omdat de veroordeelde huurkosten bespaarde door het gebruik van een pand waarin een hennepkwekerij was ingericht.
De politierechter legde de ontnemingsverplichting op dit bedrag, maar de veroordeelde ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Het hof onderzocht de zaak opnieuw, waarbij het standpunt van het openbaar ministerie en de verdediging werden gewogen, inclusief de vraag of de besparing van huurkosten alleen als voordeel kan gelden indien de huur met misdaadgeld was betaald.
Het hof oordeelde dat de besparing van huurkosten ook zonder directe betaling met misdaadgeld als wederrechtelijk verkregen voordeel geldt, omdat de huurovereenkomst een maandelijkse huurprijs van €1.481,95 voorschreef die niet door de veroordeelde werd betaald. De totale besparing over zes maanden bedroeg €8.891,70. Verdedigingsgrieven over aftrek van kosten voor inrichting en niet-gebruik van het pand werden verworpen, omdat deze kosten niet direct verband hielden met het delict en de huurcontractuele verplichtingen onverminderd golden.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en legde de ontnemingsverplichting op het hogere bedrag van €8.891,70, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.