Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of huurpenningen die een huurder niet hoefde te betalen, omdat in zijn woning een hennepkwekerij werd gebouwd met zijn medeweten, kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat dit voordeel niet als zodanig kon worden beschouwd omdat het geld waarmee de huur werd betaald niet uit een misdrijf afkomstig hoefde te zijn.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de besparing op woonkosten, waaronder huur, gas, elektriciteit en water, die de betrokkene genoot doordat hij geen huur hoefde te betalen, wel degelijk als wederrechtelijk verkregen voordeel moest worden aangemerkt. Dit oordeel werd onderbouwd met de feiten dat de betrokkene wist van de hennepkwekerij en hierover afspraken had gemaakt met de betrokkenen.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat zich tegen deze kwalificatie richtte. De Raad benadrukte dat onder voordeel in de zin van art. 36e Sr ook de besparing van kosten valt en dat het niet nodig is dat het geld waarmee de huur werd betaald uit een misdrijf afkomstig is. De situatie van de huurder die met medeweten een hennepkwekerij toestaat en daardoor huur bespaart, is wezenlijk anders dan die van een verhuurder die achteraf ontdekt dat een huurder een hennepkwekerij exploiteert.
Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee het oordeel van het hof standhield dat de bespaarde woonkosten een vorm van wederrechtelijk verkregen voordeel zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de besparing op woonkosten door het niet betalen van huur vanwege een hennepkwekerij met medeweten van de huurder als wederrechtelijk verkregen voordeel geldt.