ECLI:NL:GHAMS:2019:4727

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 december 2019
Publicatiedatum
14 januari 2020
Zaaknummer
23-002413-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 311 SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens witwassen met correctie redelijke termijn

Betrokkene is in eerste aanleg veroordeeld wegens het een gewoonte maken van witwassen en verplicht tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het openbaar ministerie vorderde in hoger beroep een ontnemingsbedrag van €170.425,12. De verdediging voerde aan dat de berekening tekortschiet en dat de redelijke termijn was overschreden.

Het hof stelde vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit giraal overgeboekte bedragen en contante stortingen die bewezen van misdrijf afkomstig zijn. Na aftrek van bedragen die zijn teruggestort, kwam het hof tot een schatting van €148.395,12. De verdediging kon niet aantonen dat bedragen aan derden waren besteed.

De redelijke termijn werd vastgesteld vanaf de aankondiging van de ontnemingsvordering in juni 2015 tot het vonnis in juli 2018, met een overschrijding van vijf maanden. Het hof compenseerde dit met een vermindering van €2.500,00 op de betalingsverplichting. De totale betalingsverplichting aan de Staat werd vastgesteld op €145.895,12.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht, waarbij de ontnemingsvordering werd aangepast conform de hierboven genoemde bedragen en correcties.

Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van €145.895,12 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002413-18 (ontneming)
datum uitspraak: 20 december 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-676406-11 tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] (Suriname) op [geboortedag] 1981,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 170.425,12.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2015 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van het een gewoonte maken van het plegen van witwassen.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 5 juli 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 165.425,12 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Tegen beide vonnissen is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 april 2017 – kort gezegd – niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep in de strafzaak, omdat blijkens een ingekomen brief van de raadsman de verdachte (hier steeds: betrokkene) het hoger beroep niet langer wenste hand te haven. Het arrest in de strafzaak tegen de verdachte is inmiddels onherroepelijk.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest in de ontnemingszaak tegen de betrokkene is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 170.425,12 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het wederrechtelijk verkregen voordeel (volgens de advocaat-generaal ook € 170.425,12) bestaat uit het totaal aan giraal overgeboekte geldbedragen vermeerderd met het totaal aan contante stortingen op privé- en bedrijfsrekeningen, van welke bedragen de rechtbank bewezen heeft verklaard dat zij van misdrijf afkomstig zijn, te weten: respectievelijk, € 83.145,12 en € 90.480,00, in totaal € 173.625,12. De advocaat-generaal heeft betoogd dat deze bedragen daadwerkelijk tot voordeel van de betrokkene hebben gestrekt, maar hij houdt rekening met de twee afschrijvingen van € 1.600,00 ten gunste van [bedrijf 1]. Deze bedragen dienen in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarmee dit voordeel uitkomt op het bedrag van € 173.625,12 - (2 x € 1.600,00) = € 170.425,12.
De raadsman heeft zich – kort samengevat – primair op het standpunt gesteld dat de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen. Hiertoe heeft hij betoogd dat het te ontnemen bedrag niet één op één gelijk kan worden gesteld aan de bewezenverklaring (
het hof begrijpt: van het een gewoonte maken van het plegen van witwassen). Verder heeft de raadsman erop gewezen dat het openbaar ministerie het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft berekend op basis van de transactiemethode, terwijl de kasopstelling meer voor de hand lag. De rechtbank heeft voorts geen rekening gehouden met de verklaring van de betrokkene in de strafzaak dat hij niet alleen geld heeft opgenomen, maar ook heeft teruggestort. Nu met al het voorgaande geen rekening is gehouden, schiet de berekeningsmethode tekort en kan het door de betrokkene verkregen voordeel niet worden vastgesteld. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat nader onderzoek moet worden gedaan naar de gestorte - en opgenomen bedragen.
Het hof acht gelet op het dossier in de strafzaak met parketnummer 13-676406-11, het strafvonnis van de rechtbank van 25 juni 2015 en het proces-verbaal van 22 mei 2018, aannemelijk dat de betrokkene voordeel heeft genoten ten gevolge van het handelen zoals bewezen verklaard in voornoemd vonnis.
Met het financieel onderzoek van 12 september 2012 en het proces-verbaal van 22 mei 2018 heeft het openbaar ministerie een (nadere) onderbouwing aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegd. Op basis van aanvullend onderzoek van de financiële recherche naar de neerslag van de van misdrijf afkomstige geldbedragen (de af- en bijschrijvingen op de bankrekeningen van de betrokkene), is geconcludeerd dat de contant gestorte - en giraal overgeboekte bedragen op en naar de privérekening van de betrokkene in de relevante periode hierna zijn aangewend ten behoeve van privé-uitgaven van huishoudelijke aard, consumptieve goederen, incasso’s voor vaste lasten en contante opnames.
Uit het financieel onderzoek blijkt dat juist op het moment dat het saldo op die desbetreffende privérekeningen van de betrokkene laag is, contante stortingen plaatsvinden. Voorts blijkt uit het overzicht “girale uitgaven voeding” dat in bijna vier jaren slechts € 1.650,63 via bankoverschrijvingen aan levensmiddelen is uitgegeven, hetgeen aannemelijk maakt dat de betrokkene door middel van contante geldopnames in zijn levensonderhoud voorzag. Dat de betrokkene de ontvangen bedragen ten gunste van zichzelf heeft aangewend, blijkt ook uit zijn eigen verklaring op de zitting in eerste aanleg van 11 juni 2015: “
De voorzitter vraagt mij [verdachte, hier: betrokkene] naar de stortingen van [bedrijf 1], van in totaal € 70.000,-. (…) Ik heb het geld uiteindelijk aan andere dingen besteed, maar ik ben wel voornemens om het geld alsnog aan hem terug te betalen”.
Het hof concludeert dat de witgewassen bedragen uiteindelijk daadwerkelijk aan de betrokkene ten goede zijn gekomen en derhalve tot zijn voordeel hebben gestrekt.
Voor de berekening van het wederechtelijk verkregen voordeel volgt het hof de hierboven beschreven berekening van de advocaat-generaal (die dat bedrag schat op € 170.425,12), met dien verstande dat de contante storting op de bedrijfsrekening [bedrijf 2] (rekeningnummer [rekeningnummer 1]) ad € 13.350,00
ende contante storting op de bedrijfsrekening [bedrijf 3] (rekeningnummer [rekeningnummer 2]) ad € 8.680,00 op het door de advocaat-generaal gevorderde bedrag in mindering worden gebracht. De reden hiervan is dat deze bedragen volgens het overzicht van overboekingen door de betrokkene zijn teruggestort op de rekeningen waarvan de bedragen afkomstig waren (zie ook proces-verbaal met nummer 2011112523 van 22 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (geen paginanummering)).
Uit het vorengaande leidt het hof af dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat dient te worden op een bedrag ad (170.425,12 - (13.350,00 + 8.680,00) =) € 148.395,12.
Dat de bedragen, in weerwil van hetgeen op grond van het voorgaande aannemelijk is gemaakt, zijn aangewend ten behoeve van anderen dan de betrokkene is niet op concrete en verifieerbare wijze aangevoerd door de verdediging. Dit had wel op de weg van de verdediging gelegen.
Het subsidiaire standpunt van de raadsman – dat nader onderzoek moet worden gedaan naar de gestorte - en opgenomen bedragen – acht het hof daarom niet noodzakelijk.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden. Hierbij is, aldus de raadsman, het moment dat de auto van de betrokkene in beslag is genomen het aanvangsmoment van de redelijke termijn. Het gevolg van deze schending is dat de betalingsverplichting met € 5.000,00 dient te worden verminderd.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is geschonden. Hierbij is het moment dat de ontnemingsvordering is aangekondigd als aanvangsdatum van de redelijke termijn genomen. Het gevolg is dat de betalingsverplichting overeenkomstig de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld.
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het in artikel 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, in dit geval als aanvangsdatum voor de redelijke termijn heeft te gelden. Op 11 juni 2015 heeft de officier van justitie dit voornemen kenbaar gemaakt en – ruim drie jaren later – op 5 juli 2018 heeft de rechtbank het ontnemingsvonnis gewezen. De behandeling in hoger beroep is echter voortvarend ter hand genomen waardoor de termijn in hoger beroep beperkt is gebleven tot ruim 17 maanden waardoor de totale duur van de procedure met in totaal 5 maanden is overschreden.
Het hof is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd met een bedrag van € 2.500,00.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, daarom de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 145.895,12.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
148.395,12 (honderdachtenveertigduizend driehonderdvijfennegentig euro en twaalf cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 145.895,12 (honderdvijfenveertigduizend achthonderdvijfennegentig euro en twaalf cent).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. A.R.O Mooy en mr. J.J.J. Schols, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 december 2019.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]