ECLI:NL:GHAMS:2019:4733

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 december 2019
Publicatiedatum
14 januari 2020
Zaaknummer
200.255.839/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 lid 2 Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake vaststelling hogere jaarbeloning bewindvoerder wegens problematische schulden

De bewindvoerder was benoemd om het bewind te voeren over de goederen van betrokkene vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand. De kantonrechter had het verzoek van de bewindvoerder om een hogere jaarbeloning toe te kennen vanwege problematische schulden afgewezen, omdat volgens het beleid van de rechtbank minder dan vijf schuldeisers aanwezig waren en de bewindvoerder onvoldoende had gemotiveerd waarom er toch sprake zou zijn van problematische schulden.

De bewindvoerder ging in hoger beroep en stelde dat betrokkene een schuldenlast van ruim €38.000 had en leefde van een bijstandsuitkering, waardoor zij haar schulden niet kon betalen. Bovendien was betrokkene toegeleid naar schuldhulpverlening en schuldsanering, wat volgens de toelichting bij de Regeling zonder meer problematische schulden betekent. De kantonrechter had volgens haar onterecht het verzoek afgewezen.

Het hof oordeelde dat de toelichting bij de Regeling duidelijk maakt dat problematische schulden niet alleen afhangen van het aantal schuldeisers of de hoogte van de schuld, maar ook van de financiële situatie en extra werkzaamheden van de bewindvoerder. Omdat betrokkene al toegeleid was naar schuldhulpverlening en schuldsanering, was er zonder meer sprake van problematische schulden.

Daarom vernietigde het hof de beschikking van de kantonrechter en stelde de hogere jaarbeloning van de bewindvoerder met ingang van 31 mei 2018 vast overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub b van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof stelt de hogere jaarbeloning van de bewindvoerder vast met ingang van 31 mei 2018 wegens problematische schulden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.255.839/01
zaaknummer rechtbank: 7280301 BZ VERZ 18-15433 MK
beschikking van de meervoudige kamer van 31 december 2019 inzake
[de bewindvoerder] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. E.P. Groot te Groningen.
Als belanghebbenden in deze zaak is overigens aangemerkt:
- [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene).

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kantonrechter) van 14 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De bewindvoerder is op 8 maart 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 14 december 2018.
2.2
Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:
- een brief van betrokkene van 10 juli 2019, ingekomen op 16 juli 2019.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 14 augustus 2019 plaatsgevonden. De bewindvoerder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.
Betrokkene is met bericht van verhindering niet verschenen.

3.De feiten

3.1
Betrokkene is geboren [in] 1965.
3.2
Bij beschikking van 21 juli 2016 heeft de kantonrechter, over de goederen die betrokkene toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van verzoekster in hoger beroep tot bewindvoerder. De jaarbeloning van de bewindvoerder is vastgesteld overeenkomstig artikel 3 lid Pro 2, aanhef en onder a., van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling).

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder om haar jaarbeloning, vanwege problematische schulden, met ingang van 31 mei 2018 vast te stellen conform artikel 3 lid Pro 2, aanhef en onder b., van de Regeling, afgewezen.
4.2
De bewindvoerder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en haar verzoek alsnog toe te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ter beoordeling aan het hof ligt voor het verzoek van de bewindvoerder om haar jaarbeloning, vanwege problematische schulden van betrokkene, met ingang van 31 mei 2018 vast te stellen conform artikel 3 lid Pro 2, aanhef en onder b van de Regeling.
5.2
In artikel 3, tweede lid van de Regeling wordt wat betreft de hoogte van de jaarbeloning onderscheid gemaakt tussen bewindvoerders enerzijds en bewindvoerders in een bewind met problematische schulden anderzijds. Voor deze laatste categorie is de jaarbeloning hoger.
5.3
De kantonrechter heeft het verzoek van de bewindvoerder om genoemde hogere jaarbeloning te mogen toepassen afgewezen, op grond van het door de kantonrechters in de rechtbank Noord-Holland vanaf oktober 2018 geldende beleid inzake de beoordeling van problematische schulden. Blijkens de bestreden beschikking en de brief van de kantonrechter aan de bewindvoerder van 17 oktober 2018 is het uitgangspunt van deze nieuwe werkwijze dat er in beginsel sprake is van problematische schulden indien er vijf of meer schuldeisers zijn bij een schuldenlast boven € 3.000,-. Indien de schuld hoger is dan € 3.000,- maar er minder dan vijf schuldeisers zijn, hangt het van de overige omstandigheden af of er sprake is van problematische schulden. De kantonrechter heeft de bewindvoerder bij brief van 17 oktober 2018 in de gelegenheid gesteld deze omstandigheden aan te dragen en nader te motiveren waarom er in dit geval sprake is van problematische schulden bij betrokkene. Volgens de kantonrechter heeft de bewindvoerder dit nagelaten, zodat haar verzoek bij de bestreden beschikking is afgewezen.
5.4
De bewindvoerder betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake is van problematische schulden bij betrokkene. Betrokkene heeft een schuldenlast van € 38.122,24 en leeft van een uitkering op bijstandsniveau. Het is dan ook duidelijk dat zij haar schulden niet kan betalen en dat er geen afloscapaciteit is. De rechtbank heeft eigen beleid ontwikkeld omtrent de vergoeding van de bewindvoerder in het geval van problematische schulden, maar dit beleid is niet in overeenstemming met de Regeling. In het onderhavige geval zijn er weliswaar minder dan vijf crediteuren, maar betrokkene is vanwege haar schulden eerst toegeleid naar de schuldhulpverlening en nu ook naar de schuldsanering. De bewindvoerder heeft daarvoor veel extra werkzaamheden verricht. De toelichting bij de Regeling bepaalt dan ook dat er in het onderhavige geval sprake is van een problematische schuld, ongeacht het aantal crediteuren of de hoogte van de schuld. De kantonrechter heeft derhalve ten onrechte het verzoek van de bewindvoerder om haar jaarbeloning vast te stellen conform artikel 3 lid 2 sub b van Pro de Regeling afgewezen, aldus de bewindvoerder.
5.5
Het hof overweegt als volgt.
Uit de gepubliceerde toelichting bij de Regeling blijkt dat een bewindvoerder om een hogere jaarbeloning dan voor een standaardbewind kan verzoeken indien de rechthebbende ‘problematische schulden’ heeft. Van ‘problematische schulden’ is blijkens de toelichting sprake indien redelijkerwijs is te voorzien dat een rechthebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of hij heeft opgehouden te betalen. De hoogte van de schuldenlast zegt in dit kader op zichzelf niet zoveel, maar moet worden afgezet tegen de inkomsten, het vermogen, de huishoudsituatie en de leeftijd, gezondheid, opleiding en verdiencapaciteit van de schuldenaar. Daarnaast blijkt uit de toelichting dat de hogere jaarbeloning gerechtvaardigd is indien de bewindvoerder vanwege de problematische schulden extra werkzaamheden verricht en dat van ‘problematische schulden’ zonder meer sprake is in geval van (toegeleiding naar) schuldhulpverlening, (toegeleiding naar) schuldsanering en/of onoplosbare schulden.
5.6
Anders dan de kantonrechter, is het hof van oordeel dat er in het onderhavige geval sprake is van problematische schulden die een hogere jaarbeloning voor de bewindvoerder rechtvaardigen. Hoewel een schuldenlast van ruim € 38.000,- op zichzelf niet als problematisch behoeft te zijn, is gebleken dat de bewindvoerder ten tijde van de bestreden beschikking reeds doende was betrokkene toe te geleiden naar de schuldhulpverlening en dat inmiddels ook sprake is van toegeleiding naar de schuldsanering. Blijkens de toelichting bij de Regeling is er in dat geval zonder meer sprake van problematische schulden. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en het verzoek van de bewindvoerder alsnog toewijzen.
5.7
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:
stelt de jaarbeloning van de bewindvoerder met ingang van 31 mei 2018 vast overeenkomstig artikel 3 lid Pro 2, aanhef en onder b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier en is op 31 december 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.