Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Bezwaar
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende werd een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 9 januari 2013 tot en met 22 juni 2016, inclusief een boete. Hij voerde aan dat de auto in delen van deze periode was uitgeleend aan zijn invalide moeder en dat hij de auto niet feitelijk ter beschikking had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan de bewijslast om aannemelijk te maken dat de auto niet gedurende de gehele periode ter beschikking stond. De overgelegde Poolse leenovereenkomsten en betalingsbewijzen waren onvoldoende onderbouwd en ondersteund door objectief bewijs. Ook de door belanghebbende overgelegde reisdocumenten toonden slechts korte verblijven in het buitenland aan, wat onvoldoende was om het bezit van de auto te betwisten.
Daarnaast werd het bezwaar van belanghebbende tegen de vooraankondiging als prematuur bezwaarschrift terecht aangemerkt. De boete werd passend geacht omdat belanghebbende onvoldoende moeite had gedaan om zich te informeren over zijn fiscale verplichtingen. De latere registratie van de auto op een GN-kenteken en de diplomatieke status van belanghebbende waren niet relevant voor de periode van de naheffing.
Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien om de kosten aan partijen toe te wijzen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag en boete omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto hem niet gedurende de gehele periode ter beschikking stond.