Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.3. Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Kamerstukken II1998/99, 26 367, nr. 3, blz. 4):
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, een vennootschap onder firma (vof), maakte bezwaar tegen een aanslag zuiveringsheffing voor het belastingjaar 2014, opgelegd door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en belanghebbende ging in hoger beroep.
Het geschil betrof de vraag of de aanslag terecht aan de vof was opgelegd, aangezien belanghebbende stelde dat een vof geen zelfstandige belastingplichtige is en dat de aanslag feitelijk een ongeoorloofde navorderingsaanslag betrof. Het hof stelde vast dat de vof als gebruiker van de bedrijfsruimte kan worden aangemerkt als belastingplichtige, ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid.
Het hof oordeelde dat de aanslagen aan verschillende belastingplichtigen waren opgelegd voor verschillende belastbare feiten (woonruimte versus bedrijfsruimte) en dat er geen sprake was van een navorderingsaanslag. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel was niet geschonden door de heffingsambtenaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag zuiveringsheffing aan de vennootschap onder firma bevestigd.