ECLI:NL:GHAMS:2019:613
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor invoer cocaïne op Schiphol ondanks verweren over koffer en airbagmethode
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 22 februari 2019 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 augustus 2018 bevestigd waarin verdachte werd veroordeeld voor het invoeren van cocaïne op Schiphol. Het hoger beroep richtte zich onder meer op het verweer dat de koffer met drugs, die met neppakketten was doorgezonden, zoekgeraakt was door toedoen van justitie, waardoor nader onderzoek onmogelijk werd. Dit verweer werd verworpen omdat het niet voldeed aan de eisen van artikel 359a Sv en het alternatief scenario ongeloofwaardig was.
Daarnaast stelde de raadsman dat de drugs kennelijk waren verwisseld, maar het hof oordeelde dat dit wordt weerlegd door het dossier, waarin mutatienummers en SIN-codes consistent zijn. Uit het dossier bleek ook dat verdachte een geldbedrag van USD 1.094,- had ontvangen van een vriend die hem telefonisch instructies gaf tijdens zijn verblijf op Schiphol. Dit bedrag werd door het hof beschouwd als afkomstig van de criminele organisatie en verbeurd verklaard.
De strafoplegging bleef gelijk aan die van de rechtbank, waarbij de hoeveelheid cocaïne en persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking werden genomen. De opgelegde gevangenisstraf werd als passend gezien gezien de ernst van het feit. Het hof verwierp het verzoek tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en bevestigde het vonnis met aanvullende overwegingen.
Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling van verdachte voor invoer van cocaïne en verklaart het geldbedrag van USD 1.094,- verbeurd.