Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Verloop van het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
de strook grond tussen de Soestdijkerstraatweg en de noordelijker gelegen HPG-percelen).
(de gronden die zich bevinden tussen de percelen van MBC en de noordelijker gelegen HPG-percelen).
(de gronden die zich bevinden tussen de percelen van GNR en die van Tergooi).
Questions & Answers; hof] bijeenkomst ondertekening overeenkomsten Monnikenberg (16 mei 2012)” houdt, voor zover van belang, het volgende in:
grief 1stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft verworpen het verweer van Merem dat de in het memo gemaakte afspraken zijn vervallen doordat het College Sanering zijn goedkeuring niet aan de (beoogde) grondoverdracht heeft gegeven, zal deze grief tezamen met grief 4 worden besproken.
grieven 2 en 3kunnen gezamenlijk worden besproken. Zij houden in dat de rechtbank in overweging 4.3 van het bestreden vonnis i) heeft miskend dat het memo geen logisch vervolg is op de eerdere afspraken (in het bijzonder de masterplannen, de raamovereenkomst en de inrichtingsovereenkomst), maar daarmee juist een breuk behelst omdat HPG niet eerder dan op de dag van de ondertekening van het memo (16 mei 2012) aanspraak heeft gemaakt op “gratis grond”, en ii) ten onrechte heeft geoordeeld dat de in het memo beoogde overdracht van grond van Merem aan HPG niet “om niet” was. Volgens Merem dient HPG haar een marktconforme prijs voor de grond te betalen.
ruilt[cursivering van het hof] tegen een recht van overpad als ontsluiting voor de bebouwing op het HPG-terrein (…) alsmede de ondergrond voor de bebouwingsmogelijkheid van 8.000 m2 BVO (…) op het terrein van MEREM (…)”, zonder dat daarbij van enig andere tegenprestatie/betaling door HPG gewag wordt gemaakt. Ten slotte heeft Merem er geen verklaring voor gegeven dat – zoals uit het onder 3.1 (i) opgenomen kostenoverzicht blijkt – HPG meteen al, dus reeds voordat haar de kavel door Merem zou zijn geleverd, zou bijdragen aan de kosten voor de inrichting van de openbare ruimte en andere diverse kosten op basis van 30.000 m2 (en Merem zelf voor 11.000 m2), indien het niet de bedoeling van partijen was dat 8.000 m2 van de woningbouwgrond van Merem in feite aan HPG toekwam. Dat ten tijde van dit alles nog niet duidelijk was om welk deel van het perceel het concreet zou gaan, doet niet af aan de conclusie dat Merem – naar de bedoeling van partijen – een deel van haar woningbouwgrond ter grootte van 8.000 m2 aan HPG moet leveren zonder dat HPG daarvoor anders dan door de overdracht van voormelde toegangslaan behoeft te betalen. Hetzelfde geldt met betrekking tot de door Merem gestelde gewijzigde omstandigheden met betrekking tot het plangebied, zo deze al vaststaan. De grieven 2 en 3 falen dus.
Grief 5strekt ten betoge dat de rechtbank in overweging 4.5 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat Merem niet aan de op haar rustende verplichtingen heeft voldaan, (in ieder geval) omdat zij niet in overleg met HPG is getreden om – naar het hof begrijpt – de beoogde grondtransactie zodanig aan te passen dat het College Sanering (alsnog) zijn goedkeuring daaraan zou geven. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken, zulks eerst naar de stand van zaken ten tijde van het bestreden vonnis en daarna op basis van de huidige situatie.
grief 6betoogt Merem dat HPG haar rechten heeft verwerkt door op 18 juni 2015 – zonder tegen de veiling te protesteren – een bod uit te brengen en vervolgens, nadat dat bod door Merem was verworpen, nog een jaar te wachten met het ondernemen van actie. De grief faalt omdat naar vaste rechtspraak enkel “stilzitten”, waarvan in dit geval naar de eigen stellingen van Merem slechts sprake is, onvoldoende is om tot rechtsverwerking te kunnen concluderen. In haar antwoord op de vragen van Merem naar aanleiding van haar bod heeft HPG voldoende duidelijk gemaakt dat dat bod niet afdeed aan haar aanspraken.