De veroordeelde werd door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld voor het telen van hennep en diefstal van elektriciteit, met een opgelegde ontnemingsverplichting van €11.115,63. Tegen dit vonnis stelde de veroordeelde hoger beroep in. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 maart 2019 het vonnis in de strafzaak bevestigd wat betreft de bewezenverklaring.
In hoger beroep werd de ontnemingsvordering herzien. Het hof baseerde zich op uitgebreide ontnemingsrapportages van de politie en een forensisch accountant, die het wederrechtelijk verkregen voordeel berekenden op basis van het aantal moederplanten, oogsten en de verkoop van hennepstekken en hennep. Hierbij werden ook kostenposten zoals huisvesting, variabele kosten en afschrijvingen in aanmerking genomen.
Het hof stelde het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €24.055, waarvan de helft werd toegerekend aan de veroordeelde wegens medeplegen. Dit resulteerde in een bedrag van €12.027. Ondanks een overschrijding van de redelijke termijn werd dit niet in mindering gebracht op de ontnemingsvordering, omdat die al was meegenomen in de strafzaak. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof legde de betalingsverplichting van €12.027 op aan de veroordeelde.